ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4392

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-6143 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen beslissing WIA-uitkering en urenbeperking arbeidsongeschiktheid

Betrokkene maakte bezwaar tegen een besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) over zijn WIA-uitkering en de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid, met name de urenbeperking. De rechtbank had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het besluit vernietigd vanwege een ontoereikend gemotiveerde medische grondslag.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep het oordeel van de rechtbank niet onderschreven. De Raad stelde vast dat de door de bezwaarverzekeringsarts aangenomen lichte urenbeperking niet was geëffectueerd in het bestreden besluit, dat een strengere urenbeperking hanteerde. De Raad nam kennis van nadere rapportages van de deskundige longarts en de bezwaarverzekeringsarts, waarin werd geconcludeerd dat een vijfdaagse werkweek van 6 uur haalbaar is en dat er geen medische redenen zijn voor een strengere urenbeperking.

De Raad concludeerde dat er geen gegevens zijn die een arbeidsongeschiktheid van meer dan 80% op de datum in geschil rechtvaardigen. Op grond hiervan vernietigde de Raad de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen het bestreden besluit wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

11/6143 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 8 september 2011, 09/201 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak: 15 maart 2013
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep in gesteld.
Namens betrokkene heeft mr. A.T. Chinnoe, advocaat, een verweerschrift ingediend en stukken overgelegd.
Appellant heeft nadere stukken ingediend.
De Raad heeft nadere vragen gesteld aan de door de rechtbank ingeschakelde deskundige dr. J. Kraan, longarts.
Bij brief van 9 augustus 2012 heeft de deskundige de vragen van de Raad beantwoord. Hierop is van de zijde van appellant commentaar geleverd.
Dit commentaar is voorgelegd aan Kraan, die daarop op 17 oktober 2012 een reactie heeft gegeven. Hierop is van de zijde van appellant nogmaals gereageerd.
De gemachtigde van betrokkene heeft bij brief van 17 januari 2013 medische stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 februari 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts. Namens betrokkene is verschenen mr. J. Ipenburg, kantoorgenoot van mr. Chinnoe.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 4 februari 2008 heeft appellant vastgesteld dat voor betrokkene vanaf 3 maart 2008 recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Daarbij is tevens vastgesteld dat appellant 60% arbeidsongeschikt was. Aan dit besluit ligt een medische en een arbeidskundige rapportage ten grondslag. Een verzekeringsarts heeft bij onderzoek op 4 januari 2008 bij betrokkene verminderd benutbare mogelijkheden vastgesteld als gevolg van hartvaatziekten en CARA. Hij heeft in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 4 januari 2008 onder meer een urenbeperking vastgelegd, met dien verstande dat appellant ongeveer 6 uur per dag en 30 uur per week kan werken. Het verlies aan verdiencapaciteit bedroeg bij arbeidskundig onderzoek 60,24%. Het besluit van 4 februari 2008 staat in rechte vast.
1.2. Naar aanleiding van een melding toegenomen arbeidsongeschiktheid vanaf 8 maart 2008 is betrokkene op 22 mei 2008 onderzocht door een andere verzekeringsarts. In verband met energetische beperkingen heeft deze verzekeringsarts in een FML van 22 mei 2008 een urenbeperking neergelegd met dien verstande dat appellant ongeveer 4 uur per dag en 20 uur per week kan werken. De verzekeringsarts achtte de overige beperkingen ongewijzigd ten opzichte van het onderzoek van 4 januari 2008. Bij arbeidskundig onderzoek is het verlies aan verdiencapaciteit gesteld op 67,31%. Bij besluit van 6 juni 2008 heeft appellant aan betrokkene meegedeeld dat de hoogte van zijn loongerelateerde WGA-uitkering niet wijzigt.
1.3. In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 9 september 2008 vermeld dat hij zich kan vinden in de door de primaire arts vastgestelde beperkingen, behalve in de urenbeperking. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van de informatie uit de behandelend sector. Uit deze gegevens komt naar voren dat bij betrokkene zowel cardiaal als met betrekking tot de longfunctie geen sprake is van forse beperkingen op energetisch gebied. Betrokkene heeft bij een inspanningstest een zeer behoorlijk inspanningsvermogen (200W), er zijn geen complicaties op cardiaal gebied en de COPD is stabiel met onderhoudsmedicatie. Ook onderzoek door de keel-, neus- en oorarts liet geen afwijkingen zien. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML aangepast wat betreft de werktijden. Betrokkene werd in staat geacht 8 uur per dag en 40 uur per week te werken. Na een ziekenhuisopname van betrokkene in verband met een longontsteking heeft de bezwaarverzekeringsarts nader gerapporteerd op 8 en 28 oktober 2008. De bezwaarverzekeringsarts heeft kennis genomen van informatie uit de behandelend sector en zag geen aanleiding de benutbare mogelijkheden anders in te schatten dan aangegeven in de FML van 9 september 2008. In verband hiermee zijn door de bezwaararbeidsdeskundige nieuwe functies geselecteerd. Het verlies aan verdiencapaciteit werd vastgesteld op 31%. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in de nadere rapportage van 4 december 2008 vermeld dat bij de functieduiding zo goed mogelijk rekening is gehouden met de longklachten. Daar waar sprake is van enige stof of dampbelasting gaat het om een geringe mate van belasting ten gevolge van afzuigingen dan wel geringe mate van solderen van kleine puntjes. Bij besluit van 18 december 2008 heeft appellant het bezwaar van betrokkene tegen het besluit van 6 juni 2008 ongegrond verklaard.
1.4. Vervolgens heeft appellant bij besluit van 5 januari 2009 de WGA-uitkering van betrokkene ingetrokken met ingang van 7 januari 2009.
1.5. Bij beslissing op bezwaar van 22 januari 2009 heeft appellant het besluit van 5 januari 2009 ingetrokken en het bezwaar tegen het besluit van 6 juni 2008 (nogmaals) ongegrond verklaard.
2.1. In beroep heeft betrokkene een rapport ingezonden van 18 februari 2009 van medisch adviseur mr. drs. J.F.G. Wolthuis.
2.2. De rechtbank heeft aanleiding gevonden de longarts dr. J. Kraan te verzoeken van verslag en advies te dienen aan de hand van een aantal vragen. Deskundige Kraan heeft op 9 april 2010 gerapporteerd. De deskundige is tot de slotsom gekomen dat bij betrokkene sprake is van beperkingen wat betreft inspanning en stof, rookgassen en dampen. De bij inspanningsonderzoek van 17 maart 2010 bij betrokkene vastgestelde VO2max waarde bedraagt 16,4 ml/min/kg (66% van voorspeld). Op grond van dit inspanningsvermogen achtte de deskundige het verstandiger de werkweek in uren te beperken, bij voorkeur tot een vierdaagse werkweek van 6 uur per dag. Op grond van het inspanningsonderzoek achtte de deskundige betrokkene ook beperkt ten aanzien van het hanteren van zware lasten (tot 10 kg), traplopen en klimmen. De deskundige heeft gerapporteerd dat de criteria voor een maximale fietstest niet konden worden bereikt omdat betrokkene stopte in verband met kortademigheidklachten en vermoeidheid in de benen. Uit het uitgebreide longonderzoek kwam niet naar voren dat de inspanningsbeperkingen het gevolg zijn van een longziekte. Wat de beperkingen veroorzaakt, is hem als longarts niet duidelijk. Volgens Kraan kan het hier gaan om een hartbeperking als gevolg van een hartaandoening, dan wel om een conditionele beperking. Tijdens het inspanningsonderzoek zijn geen limiterende factoren gevonden.
2.3. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het besluit van 22 januari 2009 vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met veroordeling van appellant in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
2.4. De rechtbank heeft doorslaggevende betekenis toegekend aan de bevindingen en conclusies van de geraadpleegde deskundige. De rechtbank heeft geconcludeerd dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven, omdat sprake is van een ontoereikend gemotiveerde medische grondslag. De rechtbank heeft overwogen dat appellant zal dienen te beoordelen of de door de deskundige aangenomen medische beperkingen en de urenbeperking voor betrokkene kunnen leiden tot een hoger arbeidsongeschiktheidspercentage.
3.1. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte de rapportage van de deskundige heeft gevolgd. Appellant bestrijdt dat de deskundige deugdelijk heeft gemotiveerd waarom betrokkene meer beperkt is. Appellant heeft gesteld dat de inhoudelijke reactie van de bezwaarverzekeringsarts ten onrechte niet is voorgelegd aan de deskundige.
3.2. Namens betrokkene is in hoger beroep aangevoerd dat de deskundige correct en volledig onderzoek heeft verricht. Betrokkene heeft verwezen naar de rapportage van medisch adviseur Wolthuis van 23 december 2011 en 16 januari 2013.
3.3. Naar aanleiding van de reacties van beide partijen heeft de deskundige Kraan bij brieven van 9 augustus 2012 en 17 oktober 2012 zijn conclusies nader toegelicht.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Vooropgesteld wordt dat het besluit van 22 januari 2009 kennelijk mede strekt tot correctie van het besluit van 18 december 2008. Van een ontoelaatbare getrapte besluitvorming is dan ook geen sprake. Gelet op het korte tijdsbestek tussen beide besluiten zal de Raad de besluiten van 18 december 2008 en 22 januari 2009 als één geheel beschouwen en beoordelen en hierna samen aanmerken als het bestreden besluit.
4.2. Tussen partijen is in geschil of de rechtbank de conclusies en bevindingen van de deskundige Kraan inzake de voor betrokkene vastgestelde beperkingen, in het bijzonder de urenbeperking, terecht heeft gevolgd.
4.3. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank niet. De deskundige Kraan heeft naar aanleiding van vragen van de Raad en de reacties van de bezwaarverzekeringsarts zijn visie met betrekking tot de urenbeperking tot twee maal toe nader genuanceerd. In zijn brief van 9 augustus 2012 schrijft de deskundige dat hij bij nader inzien geen grond ziet voor een urenbeperking in de zin van een vierdaagse werkweek. Een vijfdaagse werkweek van 6 uren in de geduide functies moet haalbaar zijn. Vervolgens merkt de deskundige in zijn brief van 17 oktober 2012 op dat een achturige werkdag in zeer lichte arbeid, zoals bureauwerk, toelaatbaar is en dat arbeid met een iets zwaardere energiebelasting zoals autoreparatie, toelaatbaar is voor een werkdag van circa 6 uur. Verder heeft de deskundige Kraan geen limiterende factoren kunnen vaststellen op het gebied van de longen, terwijl er ook overigens, bijvoorbeeld op cardiologisch gebied, geen aanknopingspunten zijn voor het aannemen van een urenbeperking. In de nadere rapportage van 15 augustus 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts afdoende gemotiveerd dat geen sprake is van een gevonden waarde die een rechtstreeks en objectief medisch vaststelbaar gevolg is van ziekte dan wel gebrek. De deskundige Kraan is op grond van het beperkte inspanningsvermogen tot zijn conclusies gekomen ten aanzien van de urenbeperking en de beperkingen ten aanzien van het hanteren van zware lasten, traplopen en klimmen. Gelet op het bovenstaande kunnen deze conclusies niet worden gevolgd.
4.4. Met betrekking tot stof of dampbelasting heeft deskundige Kraan in zijn brief van 9 augustus 2012 opgemerkt dat de licht te noemen astma geen nadelig effect heeft ten aanzien van de belastbaarheid voor arbeid in algemene zin. Wel moeten werkzaamheden waarbij hyperreactieve of allergische prikkels in belangrijke mate optreden vermeden worden. Deze conclusie is door de bezwaarverzekeringsarts uitvoerig bestreden. De Raad ziet geen aanleiding de conclusie in verband met de allergische astma niet te volgen.
4.5. De Raad stelt voorts vast dat de door de bezwaarverzekeringsarts in de rapportage van 9 september 2008 aangenomen, zogenoemde lichte, urenbeperking uiteindelijk niet is geëffectueerd in het bestreden besluit. Het primaire besluit van 6 juni 2008, zoals in bezwaar is gehandhaafd, is gebaseerd op een verderstrekkende urenbeperking
(4 uur per dag en 20 uur per week) dan door de deskundige is aangenomen. Deze urenbeperking leidde na arbeidskundig onderzoek tot een ongewijzigde mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 80%. De Raad stelt verder - in het licht van het overwogene in 4.4 - vast dat de bezwaararbeidsdeskundige op 4 december 2008 heeft gerapporteerd dat in de geduide functies slechts in geringe mate sprake is van stof of dampbelasting. Het dossier bevat geen gegevens die de conclusie kunnen rechtvaardigen dat betrokkene op de datum in geding, 8 maart 2008, meer dan 80% arbeidsongeschikt zou zijn.
4.6. Uit hetgeen hiervoor is overwogen onder 4.1 tot en met 4.5 vloeit voort dat het hoger beroep van appellant slaagt, de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd en het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard dient te worden.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.C.W. Lange en P.J. Stolk als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 maart 2013.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) D.E.P.M. Bary
QH