ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4068
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- J.F. Bandringa
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en duurzaam gescheiden leven
Appellante ontving bijstand naar de norm van een alleenstaande ouder, maar het college stelde dat zij vanaf 1 mei 2005 feitelijk een gezamenlijke huishouding voerde met haar echtgenoot, waardoor zij geen recht had op die bijstand. Na een onderzoek van de sociale recherche, inclusief anonieme meldingen, huisbezoek en getuigenverklaringen, werd de bijstand ingetrokken en teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Raad dat het college ten onrechte de maatstaf van gezamenlijke huishouding toepaste voor de periode waarin appellante nog gehuwd was en mogelijk duurzaam gescheiden leefde. Voor de periode 1 mei 2005 tot 1 december 2008 was onvoldoende bewijs dat appellante en haar echtgenoot niet duurzaam gescheiden leefden, zodat het besluit voor die periode op een onjuiste grondslag berust.
Voor de periode van mei 2007 tot 11 juni 2009 was er voldoende bewijs dat zij een gezamenlijke huishouding voerden, onder meer door verklaringen van appellante en bevindingen van het huisbezoek. Het college was daarom bevoegd de bijstand in te trekken en terug te vorderen voor die periode. De Raad vernietigde het besluit voor de periode vóór mei 2007 en bevestigde het voor de latere periode, met de opdracht aan het college een nieuwe beslissing te nemen over de terugvordering.
De Raad oordeelde ook dat de blokkering van de bijstand per 1 april 2009 gerechtvaardigd was gezien het gegronde vermoeden van onjuiste gegevensverstrekking. Tot slot veroordeelde de Raad het college in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt vernietigd voor de periode 1 mei 2005 tot mei 2007 en bevestigd voor de periode mei 2007 tot 11 juni 2009.