ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3681

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-6055 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering herziening WAO-uitkeringsbesluit wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant heeft bij het UWV verzocht om herziening van een besluit van 13 april 2006 waarin hem geen WAO-uitkering werd toegekend vanwege een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15% per 13 september 1995. Het UWV weigerde dit verzoek, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren die herziening rechtvaardigden. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de medische verklaringen van appellant geen aanleiding gaven tot heroverweging.

In hoger beroep heeft appellant opnieuw medische stukken ingediend en gesteld dat zijn gezondheid sinds 1994 is verslechterd. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de medische stukken geen nieuwe feiten of omstandigheden bevatten zoals bedoeld in artikel 4:6 Awb Pro. De Raad bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank dat het UWV terecht heeft geweigerd het besluit te herzien.

De Raad wees ook het verzoek om proceskostenveroordeling af en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in aanwezigheid van griffier H.J. Dekker, op 8 maart 2013.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het UWV om het WAO-besluit te herzien wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

11/6055 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
6 september 2011, 11/1167 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats], Marokko (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft bij zijn brief van 2 december 2011 nadere stukken ingediend, waarna het Uwv een reactie heeft ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.
OVERWEGINGEN
1.1. Bij besluit van 13 april 2006 heeft het Uwv geweigerd aan appellant een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd, met ingang van 13 september 1995, op minder dan 15% is vastgesteld.
1.2. Bij uitspraak van 31 december 2009 (LJN BK9413) heeft de Raad het besluit van
13 april 2006 vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
1.3. Met brieven van 19 maart 2010 en 28 mei 2010 heeft appellant het Uwv verzocht terug te komen van het besluit van 13 april 2006. Hij heeft daarbij aangegeven dat zijn gezondheid is verslechterd en dat hij geen werkzaamheden kan verrichten.
1.4. Bij besluit van 24 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv in bezwaar zijn besluit van 10 juni 2010 gehandhaafd, waarbij het Uwv heeft geweigerd terug te komen van zijn beslissing van 13 april 2006. Deze weigering berust op de grond dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), die ertoe leiden dat de genomen beslissing onjuist zou zijn.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat de door appellant in bezwaar overgelegde verklaring van de longarts Abderahim El Mamaar van 9 augustus 2010 niet tot heroverweging van het besluit van 13 april 2006 noopt. De verklaring van de longarts dat appellant vanwege astma bronchitis niet in staat is inspanningen te leveren zonder behandeling, vormt geen nieuw feit of omstandigheid op grond waarvan het Uwv het besluit om appellant per 12 september 1995 (lees: per 13 september 1995) niet arbeidsongeschikt te achten, dient te herzien. Naar het oordeel van de rechtbank dienen de in beroep overgelegde medische verklaringen buiten beschouwing te blijven omdat de bestuursrechter bij zijn beoordeling of het bestuursorgaan van zijn bevoegdheid als bedoeld in artikel 4:6, tweede lid, van de Awb gebruik heeft kunnen maken, slechts acht kan slaan op feiten en omstandigheden die uiterlijk in de bezwaarfase naar voren zijn gebracht.
3. In hoger beroep heeft appellant opnieuw naar voren gebracht dat hij sinds 1994 ziek is en zijn klachten sindsdien alleen maar erger zijn geworden. Ter onderbouwing hiervan heeft hij enkele medische verklaringen en recepten van medicijnen ingezonden.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat hetgeen appellant bij zijn verzoek tot herziening van de beslissing van 13 april 2006 heeft aangevoerd en aan stukken heeft overgelegd, geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevat als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb, en dat het Uwv dan ook toepassing heeft kunnen geven aan het tweede lid van dit artikel. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd bevat geen aanknopingspunten om hier in andere zin over te oordelen.
4.2. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013.
getekend) J.W. Schuttel
(getekend) H.J. Dekker
TM