ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3676
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing
Appellant, werkzaam als beheerder van een bewaakte fietsenstalling, viel uit op 25 april 2008 door rugklachten veroorzaakt door een hernia. Na een herniaoperatie bleef hij aspecifieke rugklachten houden, maar zonder duidelijke verklaring. De verzekeringsarts concludeerde dat appellant geschikt was voor lichte rugsparende werkzaamheden met houdingswisseling en een lichte krachtvermindering in de rechterhand.
De arbeidsdeskundige stelde vast dat appellant niet geschikt was voor zijn eigen werk, maar wel voor andere functies, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Het UWV besloot daarom dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering. Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat hij ook ernstige hartklachten had, maar leverde geen aanvullende medische onderbouwing.
De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de medische en arbeidskundige grondslagen van het UWV-besluit juist waren en dat de door appellant aangevoerde hartklachten onvoldoende waren onderbouwd. De Raad bevestigde het besluit en wees erop dat eventuele latere toename van klachten bij het UWV gemeld kan worden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige beperkingen.