ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3676

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-1709 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige onderbouwing

Appellant, werkzaam als beheerder van een bewaakte fietsenstalling, viel uit op 25 april 2008 door rugklachten veroorzaakt door een hernia. Na een herniaoperatie bleef hij aspecifieke rugklachten houden, maar zonder duidelijke verklaring. De verzekeringsarts concludeerde dat appellant geschikt was voor lichte rugsparende werkzaamheden met houdingswisseling en een lichte krachtvermindering in de rechterhand.

De arbeidsdeskundige stelde vast dat appellant niet geschikt was voor zijn eigen werk, maar wel voor andere functies, wat resulteerde in een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Het UWV besloot daarom dat appellant geen recht had op een WIA-uitkering. Appellant voerde in bezwaar en beroep aan dat hij ook ernstige hartklachten had, maar leverde geen aanvullende medische onderbouwing.

De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat de medische en arbeidskundige grondslagen van het UWV-besluit juist waren en dat de door appellant aangevoerde hartklachten onvoldoende waren onderbouwd. De Raad bevestigde het besluit en wees erop dat eventuele latere toename van klachten bij het UWV gemeld kan worden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende medische en arbeidskundige beperkingen.

Uitspraak

11/1709 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 3 februari 2011, 10/1005 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Tj. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dalen. Het Uwv heeft zich, zoals schriftelijk was meegedeeld, niet laten vertegenwoordigen
OVERWEGINGEN
1. Appellant, werkzaam als beheerder van een bewaakte fietsenstalling, is op 25 april 2008 uitgevallen met (lage) rugklachten met uitstraling naar het rechterbeen als gevolg van een hernia. In verband met het volbrengen van de wachttijd heeft een beoordeling plaatsgevonden in het kader van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Appellant is onderzocht door de verzekeringsarts K.J. van Haeringen, die in zijn rapport van 22 april 2010 tot de conclusie is gekomen dat appellant, na een herniaoperatie medio oktober 2008, (aspecifieke) rugklachten heeft overgehouden waarvoor geen verklaring is gevonden. Naar aanleiding van informatie van de huisarts dat appellant is begeleid in het kader van algemeen cardiovasculair risicomanagement, heeft de verzekeringsarts in een rapport van 28 mei 2010 geconcludeerd dat deze informatie geen aanleiding geeft om ervan uit te gaan dat de benutbare mogelijkheden van appellant minder zijn dan is vastgelegd in de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 22 april 2010. Voorts heeft de verzekeringsarts de door de huisarts overgelegde informatie van de neuroloog en de neurochirurg nader betrokken in zijn rapporten van 28 mei 2010 en 21 juni 2010. De verzekeringsarts is tot de conclusie gekomen dat appellant geschikt is voor lichte rugsparende werkzaamheden waarbij een noodzaak bestaat tot houdingswisseling. Voorts dient rekening te worden gehouden met een iets verminderde kracht in de rechterhand. Vervolgens is de arbeidsdeskundige F.A.M. Feimann in zijn rapport van 21 juni 2010 tot de conclusie gekomen dat appellant niet meer geschikt is voor zijn eigen werk maar nog wel voor een viertal andere functies. Op basis van drie van deze functies heeft hij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. In overeenstemming met dit rapport heeft het Uwv bij besluit van 22 juni 2010 vastgesteld dat voor appellant geen recht op een Wet WIA-uitkering is ontstaan omdat hij met ingang van 23 april 2010 minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
2. Het door appellant tegen dat besluit gemaakte bezwaar heeft het Uwv, mede op basis van een rapport van 31 augustus 2008 van de bezwaarverzekeringsarts N. Visser, bij besluit van 1 september 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
3.1. In beroep heeft appellant in het bijzonder gesteld dat hij reeds in september 2009 last had van druk op de borst, licht in het hoofd, prikkelingen aan de linkerkant van zijn lichaam. Appellant draagt een kastje in verband met hartritmestoornissen. Tevens is zijn bloeddruk erg hoog.
3.2. In verweer heeft het Uwv, bij rapport van 18 oktober 2010 van bezwaarverzekeringsarts Visser, aangegeven dat een extra onderzoek op 14 mei 2010 (fietsergometrie, spirometrie) gebaseerd was op een programma in het kader van een algemeen cardiovasculair risicomanagement en niet op basis van een bepaald toestandbeeld.
4. De rechtbank heeft zich met zowel de medische als de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen en heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat appellant ter onderbouwing van zijn stelling dat hij wegens hartklachten meer beperkt is dan het Uwv heeft aangenomen, geen nieuwe medische informatie heeft overgelegd op grond waarvan getwijfeld zou moeten worden aan de medische grondslag van het bestreden besluit. Op grond van het arbeidsongeschiktheidscriterium van de Wet WIA is, aldus de rechtbank, niet beslissend de eigen opvatting van appellant dat hij vanwege zijn hartklachten niet meer kan werken.
5. In hoger beroep is aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat appellant op 23 april 2010 door zijn hartklachten niet meer in staat was om (volledig) te werken. Aangegeven is dat appellant nog extra medische informatie zal inbrengen ter onderbouwing van dit standpunt.
6. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank. De Raad stelt vast dat appellant de in zijn hoger beroepschrift van
16 maart 2011 in het vooruitzicht gestelde nadere medische onderbouwing voor zijn standpunt inzake de ernst van zijn hartklachten en de voor hem daaruit voortvloeiende beperkingen bij het verrichten van arbeid, niet heeft geproduceerd. De ter zitting gedane mededeling dat appellant na de datum in geding een tweetal hartinfarcten heeft gekregen, is voor de onderhavige procedure niet van belang. Het staat appellant vrij om zich ter zake van een eventuele toename van klachten, welke zich heeft voorgedaan na de in deze procedure ter beoordeling voorliggende datum, te melden bij het Uwv. Ook overigens is niet kunnen blijken van aanknopingspunten om de aangevallen uitspraak niet juist te achten. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) H.J. Dekker
EK