ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3668

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
8 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-4884 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellante, laatstelijk werkzaam als tuinbouwmedewerkster, meldde zich in juni 2008 arbeidsongeschikt wegens klachten aan haar rechterschouder. Het UWV stelde bij besluit van 27 mei 2010 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor geen recht op een WIA-uitkering ontstond. Dit besluit werd bij bezwaar van 27 oktober 2010 gehandhaafd.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd. De rechtbank verwierp appellantes stelling dat zij de Nederlandse taal onvoldoende beheerst om bepaalde functies te vervullen, mede gelet op haar communicatieve vaardigheden en werkervaring in Nederland.

In hoger beroep handhaafde appellante haar bezwaren tegen de medische en arbeidskundige grondslagen, maar kon deze niet met objectieve medische gegevens onderbouwen. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de functies waarop de arbeidsongeschiktheid is gebaseerd binnen het bereik van appellante liggen, ook wat betreft fysieke belasting en taalvaardigheid.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2011. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waardoor appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering.

Uitspraak

11/4884 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 7 juli 2011, 10/4912 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 8 maart 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J. Roose, werkzaam bij LAWWinterim, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en in aanvulling daarop een rapport van
bezwaararbeidsdeskundige A.W. van Mastrigt van 8 februari 2012 ingezonden.
Namens appellante zijn nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Roose. Ook de echtgenoot van appellante was aanwezig. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.K. Dekker.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante heeft laatstelijk gewerkt als tuinbouwmedewerkster. In juni 2008 heeft zij zich vanuit een uitkeringssituatie op grond van de Werkloosheidswet arbeidsongeschikt gemeld, in het bijzonder wegens klachten van haar rechterschouder.
1.2. Bij besluit van 27 mei 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 22 juni 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, daar zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
1.3. Bij besluit van 27 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 27 mei 20010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het
bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het
verzekeringsgeneeskundig onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat wat appellante heeft aangevoerd geen reden geeft om het medisch oordeel van de verzekeringsartsen voor onjuist te houden. Dit geldt zowel voor de fysieke klachten van appellante als voor de door haar aangegeven psychische klachten. Voorts is aan de rechtbank niet kunnen blijken dat de belasting van de drie functies die aan de schatting ten grondslag liggen, de belastbaarheid van appellante overschrijdt. De rechtbank heeft de opvatting van appellante verworpen dat twee van de functies door haar niet kunnen worden vervuld wegens onvoldoende beheersing van de Nederlandse taal. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat appellante in staat was telefonisch met de arbeidsdeskundige te communiceren, appellante al twintig jaar in Nederland woont, acht maanden als baliemedewerker bij een (Turkse) bank heeft gewerkt, in welke functie zij naar het oordeel van de rechtbank toch iets van Nederlands moet hebben gesproken, een cursus kinderopvang heeft gevolgd en - ten
slotte - dat in de beide functies geen bijzondere eisen aan de beheersing van de Nederlandse taal worden gesteld.
3. In hoger beroep heeft appellante haar bezwaren tegen zowel de medische als de
arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit staande gehouden, zij het dat zij ter zitting heeft aangegeven haar bezwaren tegen de medische grondslag nog slechts te handhaven voor zover deze zien op haar klachten en problemen van lichamelijke aard.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag, voor zover nog aangevochten, en over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit en de overwegingen waarop dat oordeel berust, worden volledig onderschreven.
4.2. Appellante heeft haar tegen de medische grondslag van het bestreden besluit gerichte gronden, voor zover in hoger beroep gehandhaafd, niet nader met objectief-medische
gegevens onderbouwd. De eigen opvatting van appellante over haar schouderproblematiek en de daaruit voor haar voortvloeiende (arbeids)beperkingen, vormt in het licht van het wettelijk arbeidsongeschiktheidsbegrip, zoals dat naar vaste rechtspraak dient te worden uitgelegd, een ontoereikende grondslag voor het oordeel dat haar beperkingen door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderschat.
4.3. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat de drie functies die in bezwaar als grondslag voor de schatting zijn gehandhaafd, zowel wat betreft de daaraan verbonden
belastende aspecten als wat betreft de vereiste beheersing van de Nederlandse taal, geacht moeten worden binnen het bereik van appellante te liggen.
4.4. Door de arbeidsdeskundigen, in het bijzonder door bezwaararbeidsdeskundige
Van Mastrigt in de rapporten van 29 december 2010 en van 25 februari 2011, is genoegzaam
uiteengezet dat in de functies consultatiebureau assistent en in de functie bezorger
apotheekproducten geen overschrijdingen voorkomen van de belastbaarheid van appellante, ook niet op de door haar genoemde aspecten tillen, reiken en autorijden. Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, biedt onvoldoende aanknopingspunten voor een
ander oordeel.
4.5. Met betrekking tot het aspect beheersing van de Nederlandse taal, heeft appellante in
hoger beroep staande gehouden dat zij de Nederlandse taal slechts zeer beperkt machtig is.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat en waarom ervan moet worden uitgegaan dat appellante in elk geval geacht moet worden te kunnen voldoen aan de - slechts - beperkte eisen die op dit gebied worden gesteld in de aan de schatting ten grondslag gelegde functies, daarbij inbegrepen de functie van parkeerwachter parkeergarage. Wat appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht biedt onvoldoende aanleiding om dit oordeel van de rechtbank niet voor juist te houden.
4.6. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) H.J. Dekker
TM