ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3521
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Bevestiging disciplinaire maatregel wegens plichtsverzuim bij successieaangifte ambtenaar Belastingdienst
Appellant, werkzaam bij de Belastingdienst, gaf in 2009 als executeur van de nalatenschap van zijn vader de WOZ-waarde van een woning op in de successieaangifte, terwijl hij wist of had moeten weten dat deze waarde niet overeenkwam met de waarde in het economisch verkeer op het moment van overlijden.
De inspecteur stelde de waarde hoger vast dan de opgegeven WOZ-waarde, waarna appellant in bezwaar ging maar uiteindelijk berustte in een aangepaste waarde. De minister stelde dat appellant zich schuldig had gemaakt aan plichtsverzuim door niet te handelen zoals een goed ambtenaar betaamt, en legde hem disciplinaire maatregelen op, waaronder ontheffing uit zijn functie en salarisverlaging.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit in hoger beroep. De Raad oordeelde dat appellant verantwoordelijk is voor de juistheid van zijn aangifte en dat de opgelegde straffen niet onevenredig zijn gezien zijn voorbeeldfunctie en de ernst van het plichtsverzuim.
De Raad wees verder op het belang van integriteit binnen de Belastingdienst en verwierp het verweer dat appellant mocht vertrouwen op het advies van de notaris of dat de WOZ-waarde als juiste waarde kon worden opgegeven. De publicatie van de straf op het intranet werd betreurd maar deed niet af aan de rechtmatigheid van de straf.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de disciplinaire straf wegens plichtsverzuim en verklaart het hoger beroep ongegrond.