ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3293
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- O.L.H.W.I. Korte
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke terugvordering bij schending inlichtingenverplichting en vermogen in buitenland
Betrokkene 1 ontving vanaf 1997 bijstand en samen met betrokkene 2 vanaf 2002. Bij onderzoek bleek dat betrokkene 1 eigenaar was van een appartement in Turkije, dat niet was opgegeven aan het college, waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld. Het college trok de bijstand in en vorderde terugbetaling.
De rechtbank oordeelde dat het college bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen, maar beperkte de terugvordering op basis van een taxatie uit 2010. Betrokkenen stelden dat de waarde van het appartement lager was en dat zij schulden hadden die de vermogensgrens niet overschreden.
De Raad oordeelt dat de taxatie onvoldoende zekerheid biedt over de waarde in de relevante periode en dat betrokkenen niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij recht hadden op bijstand over een deel van die periode. Daarom vernietigt de Raad de eerdere uitspraken en verklaart het beroep tegen het terugvorderingsbesluit ongegrond. De afwijzing van de langdurigheidstoeslag wordt bevestigd.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot terugvordering van bijstand wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de langdurigheidstoeslag bevestigd.