ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2794
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- C.C.W. Lange
- Rechtspraak.nl
Beoordeling arbeidsongeschiktheid en wachttijd loongerelateerde WGA-uitkering
Appellant, werkzaam als leraar, meldde zich gedeeltelijk arbeidsongeschikt op 31 oktober 2006 en volledig op 15 december 2006. De bedrijfsarts stelde dat appellant vanaf 8 januari 2007 zijn werkzaamheden zonder beperkingen kon hervatten, maar appellant betwistte dit en vroeg een deskundigenoordeel aan. Dit oordeel bevestigde op 13 februari 2007 dat appellant niet in staat was zijn werk volledig te verrichten.
Appellant voerde aan dat hij vanaf 8 januari 2007 volledig had gewerkt of in ieder geval volledig beschikbaar was, maar dit kon niet worden aangetoond. Correspondentie en verklaringen van collega’s en het werkrooster gaven onvoldoende bewijs voor volledige werkhervatting. De rechtbank en de Raad concludeerden dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij volledig had gewerkt in de betwiste periode.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant in de zin van de Wet WIA arbeidsongeschikt was van 8 januari 2007 tot en met 23 april 2007 en dat de wachttijd op 28 oktober 2008 was vervuld. Het bezwaar tegen het besluit van het UWV werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant tussen 8 januari 2007 en 23 april 2007 arbeidsongeschikt was en dat de wachttijd voor de loongerelateerde WGA-uitkering is vervuld op 28 oktober 2008.