ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2787

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 maart 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-1477 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:72 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening verhaalsbesluit eigenrisicodrager Ziektewet en ontvankelijkheid bezwaar

Betrokkene is eigenrisicodrager voor de Ziektewet en kreeg bij besluit van 10 juli 2009 een verhaalsbedrag opgelegd voor ZW-uitkeringen aan (ex-)werknemers. Tegen dit besluit werd geen bezwaar gemaakt, waardoor het in kracht van gewijsde ging. Na een verzoek van betrokkene om het verhaal te beperken, stelde appellant het verhaalsbedrag bij besluit van 2 november 2009 gedeeltelijk bij en trok het eerdere besluit in.

Betrokkene maakte bezwaar tegen het herzieningsbesluit, maar appellant verklaarde dit niet-ontvankelijk omdat het eerdere besluit onherroepelijk was. De rechtbank verklaarde het bezwaar ontvankelijk en vernietigde het bestreden besluit, oordelend dat het eerdere besluit ongeclausuleerd was ingetrokken.

De Raad oordeelt dat het eerdere besluit slechts gedeeltelijk is herzien en dat de rechtbank ten onrechte van een ongeclausuleerde intrekking uitging. De Raad stelt dat appellant het bezwaar terecht had moeten beoordelen op de aanwezigheid van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden conform artikel 4:6 Awb Pro. Omdat appellant dit niet deed, vernietigt de Raad het bestreden besluit, verklaart het bezwaar ontvankelijk en ongegrond, en treedt zelf in de zaak. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het herzieningsbesluit wordt ontvankelijk verklaard maar inhoudelijk ongegrond, waarbij het bestreden besluit wordt vernietigd en de Raad zelf in de zaak voorziet.

Uitspraak

11/1477 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
8 februari 2011, 10/1462 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)
[naam VOF] gevestigd te [vestigingsplaats] (betrokkene)
Datum uitspraak
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Namens betrokkene heeft mr. S. Wehl, advocaat, een verweerschrift ingediend.
Desgevraagd heeft appellant nadere informatie overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2012, waar appellant zich niet heeft laten vertegenwoordigen. Namens betrokkene is verschenen mr. Wehl.
OVERWEGINGEN
1.1. Betrokkene is eigen risicodrager voor de Ziektewet (ZW). Bij betrokkene zijn diverse werknemers in dienst geweest aan wie in de periode 3 januari 2005 tot en met 5 mei 2009 een ZW-uitkering is toegekend. Bij besluit van 10 juli 2009 heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat het bedrag dat aan ZW-uitkeringen is betaald aan haar (ex-) werknemer(s), een totaalbedrag van € 349.503,07, op haar wordt verhaald. Als bijlage bij het besluit werd een specificatie gevoegd van 21 van de (ex-)werknemer(s) die onder het risico van betrokkene vielen. Betrokkene heeft tegen dit (verhaals) besluit geen bezwaar gemaakt.
1.2. Bij besluit van 2 november 2009 heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat het bedrag dat aan ZW-uitkeringen is betaald aan haar (ex-) werknemer(s), een totaalbedrag van € 294.666,53, op haar wordt verhaald. Voorts heeft appellant aan betrokkene medegedeeld dat hierbij de beslissing van 10 juli 2009 wordt ingetrokken. Als bijlage bij het besluit werd een specificatie gevoegd van 17 van de (ex-)werknemer(s) die onder het risico van betrokkene vielen. Betrokkene heeft tegen dit besluit wel bezwaar gemaakt.
1.3. Bij besluit van 16 februari 2010 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar van betrokkene niet-ontvankelijk verklaard. In het bestreden besluit heeft appellant overwogen dat door betrokkene niet binnen de daartoe gestelde termijn bezwaar is gemaakt tegen het besluit van 10 juli 2009 en dat dit besluit in kracht van gewijsde is gegaan. Op verzoek van betrokkene is het besluit van 10 juli 2009 nogmaals beoordeeld, hetgeen heeft geresulteerd in het besluit van 2 november 2009. Nu het bezwaar zich richt tegen dat deel van het verhaal dat reeds bij het besluit van 10 juli 2009 bekend is gemaakt en dat besluit in kracht van gewijsde is gegaan, is het maken van bezwaar niet meer mogelijk. Hoewel de mogelijkheid tot het maken van bezwaar in het besluit van 2 november 2009 is vermeld, betekent dit niet dat alle onderdelen van deze beslissing opnieuw voor bezwaar vatbaar zijn.
2.1. Namens betrokkene is beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Daarbij is aangevoerd dat appellant het besluit van 10 juli 2009 heeft ingetrokken en er derhalve geen rechtsgevolgen meer aan verbonden kunnen worden.
2.2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 2 november 2009 ontvankelijk verklaard, bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde bestreden besluit en appellant opgedragen binnen acht weken een nieuw besluit op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daarbij beslissingen gegeven omtrent proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft in haar uitspraak vastgesteld dat het besluit van 10 juli 2009 ongeclausuleerd is ingetrokken en dat uit de tekst van het besluit van 2 november 2009 niet valt af te leiden dat er sprake zou zijn van gedeeltelijke handhaving van het besluit van 10 juli 2009. Naar het oordeel van de rechtbank is artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) daarom niet van toepassing.
3.1. Namens appellant is in de eerste plaats aangevoerd dat het besluit van 10 juli 2009 in kracht van gewijsde is gegaan nu betrokkene daar geen rechtsmiddel tegen heeft aangewend. Voorts heeft appellant aangevoerd dat betrokkene zich na afloop van de bezwaartermijn tot haar heeft gewend met het verzoek het verhaal van ziekengeld te beperken tot een aantal
(ex-)werknemers. Dit verzoek is aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het besluit van 10 juli 2009. Omdat evident was dat het ziekengeld van één van de werknemers ten onterechte werd verhaald is er geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid ingevolge artikel 4:6 van Pro de Awb om de nieuwe aanvraag te toetsen op nova. Dit betekent volgens appellant echter niet dat artikel 4:6 van Pro de Awb niet van toepassing is. Naar aanleiding van het verzoek van betrokkene is vastgesteld dat met betrekking tot vier werknemers het verhaal niet terecht is geweest en is het verhaalsbedrag dienovereenkomstig verminderd. Voor het overige is het besluit van 10 juli 2009 niet gewijzigd en is daarom sprake van gedeeltelijke handhaving van dat besluit. Volgens appellant heeft de rechtbank dan ook ten onrechte geoordeeld dat sprake was van een ongeclausuleerde intrekking.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Vast staat dat betrokkene geen rechtsmiddel heeft aangewend tegen het verhaalsbesluit van 10 juli 2009 en dat dit besluit in rechte onaantastbaar is. Voorts blijkt uit de stukken dat appellant, naar aanleiding van een telefonisch verzoek van betrokkene, bij brief van 2 september 2009 de bij het besluit van 10 juli 2009 behorende specificatie van de 21 van de (ex-)werknemer(s) die onder het risico van betrokkene vielen, opnieuw heeft doen toekomen. Vervolgens heeft betrokkene zich tot appellant gewend met het verzoek het verhaal te beperken omdat een aantal (ex-)werknemers niet onder het eigenrisicodragerschap vallen. Naar aanleiding van dit verzoek heeft appellant het besluit van 10 juli 2009 in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen tot een andere uitkomst heeft geleid, in die zin dat het verhaal is beperkt tot 17 (ex-)werknemers. De uitkomst van die beoordeling is neergelegd in het besluit van 2 november 2009. Ter zitting is deze gang van zaken namens betrokkene bevestigd.
4.2. Gelet op de onder 4.1 weergegeven totstandkoming van het besluit van 2 november 2009, de omstandigheid dat dit besluit als onderwerp heeft “Herziening Verhaalsbeslissing eigenrisicodrager ZW” en het feit dat dit besluit, blijkens de daarbij gevoegde specificatie, nog immer betrekking heeft op 17 van de 21 (ex-)werknemers die in de specificatie bij het besluit van 10 juli 2009 zijn genoemd, is de Raad van oordeel dat de rechtbank ten onrechte aan de in het besluit geformuleerde zinsnede “Hierbij trekken wij onze beslissing van 10 juli 2009 in” de conclusie heeft verbonden dat geen sprake is van gedeeltelijke handhaving van het besluit van 10 juli 2009 en dat dit besluit ongeclausuleerd door appellant is ingetrokken.
4.3. Uit het voorgaande volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Thans ingaande op de zaak zelve, overweegt de Raad als volgt.
4.4. Zoals reeds onder 4.1 is overwogen, heeft betrokkene tegen het besluit van 10 juli 2009 geen rechtsmiddel aangewend. Eerst na herhaalde toezending van de bij dat besluit behorende specificaties heeft betrokkene verzocht het verhaal van een aantal ZW-uitkeringen alsnog ongedaan te maken. Dit verzoek moet dan ook worden aangemerkt als een verzoek om terug te komen van het in rechte onaantastbaar geworden besluit van 10 juli 2009. Naar aanleiding hiervan heeft appellant de zaak in haar geheel opnieuw beoordeeld, hetgeen er toe heeft geleid dat appellant bij besluit van 2 november 2009 gedeeltelijk is teruggekomen van het besluit van 10 juli 2009.
4.5. Bij het bestreden besluit heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 2 november 2009 niet-ontvankelijk verklaard. Daarbij heeft appellant zich - kort gezegd - op het standpunt gesteld dat het besluit van 2 november 2009 een gedeeltelijke handhaving inhoudt van hetgeen reeds bij beslissing van 10 juli 2009 bekend is gemaakt aan betrokkene. Nu betrokkene de bezwaartermijn van het besluit van 10 juli 2009 ongebruikt heeft laten verstrijken, heeft betrokkene niet de mogelijkheid dit besluit alsnog in bezwaar aan te vechten. De inhoudelijke behandeling van het verzoek om herziening kan immers niet de weg openen naar een toetsing in bezwaar alsof het om een oorspronkelijk besluit gaat, aldus appellant.
4.6. Zoals de Raad reeds vaker heeft overwogen (zie de uitspraak van 10 november 2006, LJN AZ3056) is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd een verzoek van de belanghebbende om van een eerder genomen besluit terug te komen inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing - al dan niet in volle omvang - te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van Pro de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid de eerdere afwijzing - gedeeltelijk - handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht.
4.7. Hetgeen onder 4.6 is overwogen betekent echter niet dat appellant in bezwaar niet gehouden is te beoordelen of het besluit dat zij op 2 november 2009 heeft genomen naar aanleiding van het verzoek terug te komen van het besluit van 10 juli 2009, een adequate reactie is geweest op dat verzoek. Appellant had in bezwaar moeten beoordelen of betrokkene, overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel 4:6 van Pro de Awb, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden bij zijn verzoek heeft vermeldt die een in dit geval verder strekkend terugkomen kunnen rechtvaardigen. Daarvan kon door betrokkene uiterlijk in de bezwaarfase bewijs worden geleverd. Appellant heeft zulks miskend en het bestreden besluit kan dan ook niet in stand blijven. Het bezwaar van betrokkene gericht tegen het besluit van 2 november 2009 dient derhalve ontvankelijk te worden verklaard. Ten aanzien van de inhoud van dit besluit overweegt de Raad als volgt.
4.8. Ter onderbouwing van het verzoek tot herziening van de in rechte onaantastbare beslissing van 10 juli 2009 heeft betrokkene naar voren gebracht dat die beslissing evident onjuist is. Aan het onderhavige verzoek zijn, naar ook ter zitting door betrokkene is erkend, geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb ten grondslag gelegd. Betrokkene heeft desgevraagd ter zitting evenmin kunnen aangegeven welke nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden daartoe aanleiding zouden kunnen geven. Daarvan uitgaande moet uitgesloten worden geacht dat een inhoudelijke heroverweging van het besluit van 2 november 2009 door appellant op basis van het onder 4.1 vermelde verzoek van betrokkene ertoe zal leiden dat dit besluit niet wordt gehandhaafd. De Raad zal daarom, uit een oogpunt van proceseconomie, geen opdracht geven tot het nemen van een nieuwe beslissing op het bezwaar. In plaats daarvan zal de Raad zelf in de zaak voorzien. In dit geval is geen sprake van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden, waarin appellant aanleiding had behoren te vinden om het besluit van
10 juli 2009 verder strekkend te herzien. De Raad zal het bezwaar van betrokkene tegen besluit van 2 november 2009 derhalve ongegrond verklaren.
5. Uit hetgeen is overwogen onder 4.4 tot en met 4.8 volgt dat - doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen - het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit moet worden vernietigd. De Raad ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb een besluit te nemen dat in plaats treedt van het bestreden besluit en waarbij het bezwaar gericht tegen het besluit van 2 november 2009 ontvankelijk en ongegrond wordt verklaard.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarbij is bepaald dat appellant
aan betrokkene het griffierecht vergoedt;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar tegen het besluit van 2 november 2009 ontvankelijk en ongegrond;
- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het bestreden besluit.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en C.W.J. Schoor en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) Z. Karekezi
TM