ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2464

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-2648 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verhoging WAO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellante heeft een WAO-uitkering ontvangen wegens psychische klachten, die in 2005 werd herzien van 80-100% naar 15-25% arbeidsongeschiktheid. Latere verzoeken tot verhoging werden deels toegewezen, maar het verzoek om terug te komen op het besluit van 17 juni 2005 werd afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren.

De rechtbank Rotterdam oordeelde dat de door appellante overgelegde stukken, waaronder een brief van psychiater Van den Broek, geen nieuw feit vormden. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de GAF-score niet bedoeld is om beperkingen in sociaal of beroepsmatig functioneren vast te stellen.

De Raad concludeert dat het Uwv terecht de ingangsdatum van de verhoging op 29 augustus 2008 heeft gehandhaafd en dat het hoger beroep niet slaagt. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat geen sprake is van nieuwe feiten die een verhoging van de WAO-uitkering rechtvaardigen.

Uitspraak

11/2648 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 maart 2011, 10/3352 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 27 februari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. Ph.C. Kleyn van Willigen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens zijn door partijen over een weer nadere stukken ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2013. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.A. Kneefel.
OVERWEGINGEN
1.1. Aan appellante is sinds 7 augustus 1990 een volledige uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend wegens psychische klachten. Vanaf 5 april 2000 was het arbeidsongeschiktheidspercentage wederom vastgesteld op 80 tot 100. Bij besluit van 17 juni 2005 is de WAO-uitkering van appellante met ingang van 10 augustus 2005 herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Het door appellante tegen dit besluit gemaakte bezwaar is destijds door het Uwv niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen beroep ingesteld.
1.2. Naar aanleiding van een melding van appellante van toegenomen arbeidsongeschiktheid per november 2005 is aan haar een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend vanaf
7 november 2005, welke uitkering bij besluit van 28 maart 2006 is beëindigd met ingang van 1 april 2006. Het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar is destijds ongegrond verklaard. Er is geen beroep ingesteld.
1.3. Vervolgens is de WAO-uitkering van appellante herzien bij besluit van 31 oktober 2007. Hierbij is de mate van arbeidsongeschiktheid verhoogd naar 25 tot 35% ingaande 27 september 2007, op arbeidskundige gronden. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen ingesteld.
1.4. Op 13 september 2009 heeft appellante zich volledig arbeidsongeschikt gemeld per 29 september 2009 en in een aanvullend schrijven is toegelicht dat zij vanaf 1 juli 2005 al volledig arbeidsongeschikt was. Hierop heeft het Uwv bij besluit van 4 december 2009 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 29 augustus 2008 verhoogd naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit op bezwaar (bestreden besluit) van 14 juli 2010 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen de ingangsdatum van de verhoging van de uitkering ongegrond verklaard. Verder is het bezwaarschrift, voor zover het verzoek van 13 september 2009 tevens had moeten worden opgevat als een verzoek om terug te komen van de rechtens onaantastbare besluiten van 17 juni 2005, 28 maart 2006 en 31 oktober 2007, ongegrond verklaard nu er geen sprake is van nieuw gebleken feiten en/of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante ingestelde beroep tegen de in het bestreden besluit opgenomen weigering om terug te komen van het besluit van 17 juni 2005 ongegrond verklaard. Hiertoe heeft zij overwogen dat de door appellante ingediende informatie van 22 oktober 2003 en van 1 juni 2005 van de Bavo en het stuk van 9 december 2005 van psychiater Van den Broek (Van den Broek) niet als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn op te vatten in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb. De stukken van 22 oktober 2003 en 1 juni 2005 hadden voorafgaand aan het besluit van 17 juni 2005 door appellante kunnen worden ingediend bij het Uwv. Het rapport van 9 december 2005 van Van den Broek betreft weliswaar een gesprek na het besluit van 17 juni 2005, maar ziet niet op nieuwe feiten. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv bij het bestreden besluit terecht de ingangsdatum van de uitkering op 29 augustus 2008 heeft gehandhaafd, nu uit de informatie van I-Psy van 30 december 2008 blijkt dat de klachten van appellante sinds vijf maanden geleidelijk zijn verergerd.
3. In hoger beroep heeft appellante uitsluitend aangevoerd dat het stuk van 9 december 2005 van Van den Broek wel degelijk moet worden gezien als nieuw feit en dat de rechtbank daarom ten onrechte heeft overwogen dat het Uwv bevoegd was om het verzoek om te terug te komen van het besluit van 17 juni 2005, af te wijzen. Ter onderbouwing heeft appellante nog overgelegd een stuk van medisch adviseur en huisarts drs. D. Sok van 22 april 2010.
4.1. De Raad overweegt het volgende.
4.2. Voor zover er sprake is van een gebrekkige reactie van het Uwv bij besluit van 4 december 2009 op het door appellante bij brief van 13 september 2009 gedane herzieningsverzoek, is dit gebrek hersteld bij het bestreden besluit, nu daaruit blijkt dat toetsing aan artikel 4:6 van Pro de Awb heeft plaatsgevonden.
4.3. Terecht heeft de rechtbank overwogen dat de brief van Van den Broek van 9 december 2005 niet ziet op nieuw gebleken feiten, die ten tijde van het nemen van het besluit van 17 juni 2005 niet bekend waren of konden zijn. Van den Broek heeft bij deze intakebrief een verslag gemaakt van het intakegesprek dat hij op 11 november 2005 met appellante heeft gevoerd. Hij is tot de conclusie gekomen dat sprake is van depressieve klachten en angstklachten bij een vrouw met sociale problematiek. Differentiaal diagnostisch werd gedacht aan persoonlijkheidsproblematiek, een aanpassingsstoornis of een depressieve stoornis. Van den Broek heeft aangegeven geen DSM IV-diagnose te hebben gesteld op basis van dit enkele gesprek gezien het medicatiegebruik en de klachten/klachtenpresentatie van appellante. Wel heeft hij een GAF-score gesteld van 40-31. Uit de conclusies van
Van den Broek valt niet een ander ziektebeeld op te maken dan de verzekeringsarts voor ogen had bij de beoordeling in april 2005.
4.4. De in hoger beroep nader aangevoerde gronden geven de Raad geen aanleiding tot een ander oordeel. Aan de door Van den Broek vermelde GAF-score hecht de Raad niet de waarde die appellante eraan gehecht wenst te zien. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 11 april 2012 (LJN: BW1513), waarbij de Raad heeft geoordeeld dat het GAF-systeem is bedoeld om in het kader van een behandeling enig handvat te geven voor de beoordeling en het beloop ervan maar niet is bedoeld om daarmee beperkingen in het sociaal of beroepsmatig functioneren vast te leggen. Het door appellante ingediende stuk van Sok doet niet af aan het oordeel van de rechtbank dat de brief van Van den Broek niet ziet op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden in de zin van artikel 4:6 van Pro de Awb.
4.5. Gelet op de overwegingen 4.2 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd, voor zover aangevochten.
4.6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2013.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) Z. Karekezi
JvC