ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2443

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-6152 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op WGA-uitkering wegens voldoende medische en arbeidskundige grondslag

Appellant, voormalig onderhoudsmonteur, ontving sinds 2005 een uitkering en meldde zich ziek na een ongeval. Het UWV stelde vast dat appellant recht had op een loongerelateerde WGA-uitkering die in 2008 eindigde. Diverse medische onderzoeken, waaronder door verzekeringsartsen en specialisten, concludeerden dat appellant beperkingen had maar geen neurologische of ernstige psychische aandoeningen die rechtvaardigen dat hij niet kan werken.

In de bezwaarprocedure en het daaropvolgende beroep werden aanvullende medische rapporten overlegd, waaronder neuropsychologisch onderzoek en psychiatrische evaluaties, die geen aanleiding gaven tot herziening van de eerdere conclusies. De arbeidskundige beoordeling toonde een loonverlies van circa 32%, maar gaf geen reden om de geduide functies als ongeschikt te beschouwen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad vond geen medische of arbeidskundige gronden om het besluit van het UWV te wijzigen en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het besluit van het UWV dat appellant geen recht meer heeft op een WGA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

11/6152 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van
1 september 2011, 11/313 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 27 februari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 23 mei 2012 heeft mr. F.H. Kappelhof, advocaat, zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
Mr. Kappelhof heeft op 30 mei 2012 nadere (medische) informatie overgelegd. Hierop heeft het Uwv gereageerd door overlegging van het rapport van de bezwaarverzekeringsarts G.J. Dreijer van 12 juni 2012.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 januari 2013.
Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Kappelhof. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. O. de Jong.
OVERWEGINGEN
1. Appellant was werkzaam als onderhoudsmonteur. Met ingang van 1 april 2005 ontving appellant een uitkering op grond van de Werkloosheidswet. Appellant heeft zich met ingang van 20 juli 2005 ziek gemeld met klachten na een ongeval. Het Uwv heeft bij besluit van 25 juni 2007 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 18 juli 2007 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering. Daarbij is tevens vastgelegd dat deze uitkering eindigt op 20 november 2008 en dat appellant 100% arbeidsongeschikt is. Aan dit besluit lag onder andere ten grondslag een rapport van een verzekeringsarts van 21 mei 2007 waarin op basis van een lichamelijk en psychisch onderzoek is vastgesteld dat appellant alleen beperkingen had op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) van 22 mei 2007. Voorts is nog besluitvorming gevolgd over het verloop van deze uitkering en over toekenning van een uitkering op grond van de Ziektewet met ingang van 5 april 2010 in verband met een ziekmelding van appellant met ingang van 5 december 2009 tijdens een ander dienstverband en beëindiging van dat dienstverband met ingang van 5 april 2010.
2. Na een verzoek van appellant heeft de verzekeringsarts J.H.M. Peters op 30 juni 2010 een heronderzoek gedaan. Volgens een rapport van dezelfde datum nam de verzekeringsarts bij het psychisch onderzoek op cognitief gebied geen bijzonderheden waar en waren er geen aanwijzingen voor psychopathologie en/of ernstige persoonlijkheidsproblematiek. Volgens de verzekeringsarts was er niet specifiek sprake van een toestandsbeeld maar van, zoals ook de huisarts had aangegeven, stress. In verband hiermee waren er beperkingen voor stresserende omstandigheden zoals werken in een hectische omgeving, met deadlines en in situaties met conflicten. Voorts nam de verzekeringsarts in verband met de bevindingen bij het onderzoek van de rug beperkingen voor de rugbelastbaarheid aan. De beperkingen werden vastgelegd in de FML van 30 juni 2010. Bij het arbeidskundig onderzoek werd bij functieduiding vastgesteld dat het loonverlies 32,57% was. Hierna stelde het Uwv bij besluit van 13 augustus 2010 vast dat appellant met ingang van 14 oktober 2010 geen recht meer heeft op een WGA-uitkering.
3. In de bezwaarprocedure betrok de bezwaarverzekeringsarts Dreijer in een rapport van 10 februari 2010 (lees: 2011) bij de beoordeling de in die procedure beschikbaar gekomen informatie van de revalidatiearts van 6 december 2010 en van de Arts Welnis Delfzijl van 15 november 2010. Uit de informatie van de revalidatiearts kwam volgens Dreijer naar voren dat appellant slijtageverschijnselen van de rug had. Voorts was volgens de arts van Welnis vooral sociale problematiek aan de orde en een recidief PTSS-beeld, maar was aan een behandelvoorstel niet toegekomen en een classificatie volgens DSM-IV niet aan de orde. Appellant had immers enige tijd na de intake gebeld met vermelding dat hij voldoende hulp had en zich alweer beter voelde. Gelet op één en ander zag Dreijer geen medische argumenten om af te wijken van de bevindingen van verzekeringsarts Peters en achtte Dreijer met name de psychische belastbaarheid van appellant bij het einde van de wachttijd niet vergelijkbaar met de belastbaarheid bij het aan de orde zijnde heronderzoek. De bezwaararbeidsdeskundige berekende bij een kleine correctie van de arbeidskundige gegevens in een rapport van 28 februari 2011 en bij een gelijkblijvende functieduiding een loonverlies van 31,62% en lichtte de signaleringen in de geduide functies toe. Vervolgens verklaarde het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 13 augustus 2010 bij besluit van 28 februari 2011 ongegrond.
4.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 28 februari 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.
4.2. De rechtbank zag in het door appellant in beroep aangevoerde geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellant niet juist zijn vastgesteld. Volgens de rechtbank heeft appellant ook geen medische informatie overgelegd op grond waarvan een urenbeperking aangewezen zou zijn. Voorts wees de rechtbank erop dat appellant geen arbeidskundige gronden had aangevoerd.
5. In hoger beroep heeft appellant - onder overlegging van de in de rubriek Procesverloop vermelde stukken - aangevoerd dat hij zich niet kan verenigen met de medische grondslag van het bestreden besluit. Voorts stelde appellant dat hij, gelet op zijn fysieke en cognitieve klachten de geduide functies niet kan vervullen.
6.1. De Raad heeft in het hoger beroep van appellant geen aanleiding gezien het - in overweging 4.2 samengevat weergegeven - oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit voor onjuist te houden. Wat betreft de in hoger beroep door appellant overgelegde stukken kan de conclusie van Dreijer in het rapport van
12 juni 2012 worden onderschreven. Deze conclusie houdt in dat deze stukken geen ander licht werpen op de medische situatie van appellant en zijn belastbaarheid op de datum in geding. De neuroloog A.M.M. Thomas schreef over het onderzoek van appellant op 20 december 2011 immers dat appellant geen duidelijk angstige, gespannen of depressieve indruk maakte en dat zowel bij de anamnese als bij het lichamelijk onderzoek een neiging tot simulatie opviel. De conclusie van de neuroloog bij MRI-onderzoek luidde voorts dat er geen neuropathologie was. Verder was de conclusie van het op verzoek van de neuroloog op 27 februari 2012 verrichte neuropsychologisch onderzoek in het rapport van de klinisch psycholoog A.B. Lobbrecht dat de testafname werd beperkt door gebrekkige Nederlandse taalbeheersing, culturele aspecten en somatisch onwelbevinden, dat over het geheel genomen sprake was van zeer zwakke prestaties die niet pasten bij een neurologisch beeld (hetgeen de neuroloog bevestigde) en dat de ervaren cognitieve klachten mogelijk geplaatst konden worden binnen hoge psychische lijdensdruk. Ten slotte vermelde de sociaal psychiatrisch verpleegkundige in een brief van 22 maart 2012 over de behandeling in de periode van 26 april 2011 tot en met 22 maart 2012 in de vorm van een vijftal gesprekken dat de klachten van appellant een weinig specifieke indruk maakte en dat de motivatie van appellant gering bleek omdat hij bij enkele afspraken zonder bericht verzuimde.
6.2. Uitgaande van de juistheid van de voor appellant vastgestelde FML is er geen grond om te twijfelen aan de medische geschiktheid van appellant voor de geduide functies. In het in overweging 3 vermelde rapport van de bezwaararbeidsdeskundige zijn de signaleringen in deze functies over onder andere de ter zitting nader namens appellant vermelde aspecten reiken en tillen uitvoerig toegelicht. De Raad heeft geen aanleiding gezien tot twijfel over de juistheid van deze toelichtingen. Voorts is in dit rapport nader ingegaan op de aspecten voorspelbare werksituaties en probleemoplossen. Verder bevat het Resultaat functiebeoordeling van de geduide functies geen signaleringen op de aspecten deadlines en productiepieken en conflicthantering, zijnde de aspecten waarvoor appellant in de FML voorts beperkt is geacht, voor zover het betreft het persoonlijk en sociaal functioneren.
6.3. De overwegingen 6.1 en 6.2 leiden tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 februari 2013.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) Z. Karekezi
GdJ