ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2380

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-3772 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 WWBArt. 35 WWBArt. 49 WWB
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijzondere bijstand voor waarborgsom wegens reeds voldane schuld en voldoende middelen

Appellant vroeg bijzondere bijstand aan voor de kosten van een waarborgsom van €2.070,75. Het college van burgemeester en wethouders van Diemen wees de aanvraag af omdat de waarborgsom ten tijde van de aanvraag al door de broer van appellant was voldaan, waardoor sprake was van een schuld aan de broer en niet van een noodzakelijke kostenpost.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij geen andere mogelijkheid had dan hulp van zijn broer in te roepen vanwege de korte termijn voor betaling van de waarborgsom.

De Raad oordeelde dat appellant bij het ontstaan van de schuld en ten tijde van de aanvraag beschikte over voldoende middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. De medische situatie van appellant, waaronder een hersenbloeding, vormde geen zeer dringende reden die bijzondere bijstand rechtvaardigde. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag om bijzondere bijstand voor de waarborgsom wordt bevestigd omdat appellant over voldoende middelen beschikte en de waarborgsom al was voldaan.

Uitspraak

11/3772 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 mei 2011, 11/365 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Diemen (college)
Datum uitspraak 26 februari 2013.
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2013. Appellant is verschenen. Het college is, met bericht, niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant heeft bij brief van 1 september 2010 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor de kosten van een waarborgsom, tot een bedrag € 2.070,75.
1.2. Bij besluit van 6 oktober 2010 heeft het college deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is gebleken van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten in de zin van artikel 35 van Pro de Wet werk en bijstand (WWB). Voor het terugbetalen van leningen of schulden wordt geen bijzondere bijstand verstrekt.
1.3. Bij besluit van 14 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 oktober 2010 ongegrond verklaard, op de grond dat ten tijde van de aanvraag om bijzondere bijstand de waarborgsom al was voldaan door de broer van appellant. Daardoor was de aanvraag niet meer bedoeld voor de betaling van de waarborgsom, maar voor de aflossing van de schuld aan de broer. Geen recht op bijstand bestaat voor de kosten van aflossing van schulden.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft appellant aangevoerd dat de waarborgsom op zeer korte termijn moest worden voldaan en dat hij voor de betaling van de waarborgsom geen andere mogelijkheden had dan de hulp van zijn broer in te roepen.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ter zitting heeft appellant zijn verzoek om schadevergoeding ingetrokken, zodat uitsluitend in geding is de afwijzing van bijzondere bijstand voor de kosten van de waarborgsom.
4.2. Voor de beantwoording van de vraag of en, zo ja, in hoeverre sprake is van een aanvraag om bijzondere bijstand voor schulden is niet alleen bepalend de strekking van de aanvraag maar ook de feitelijke situatie op het moment van de aanvraag. Vaststaat dat ten tijde van de aanvraag de broer van appellant de waarborgsom inmiddels had voldaan. Daarmee bestaat een schuld van appellant aan zijn broer.
4.3. Ingevolge artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB, zoals dit luidde ten tijde van belang, heeft degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, geen recht op bijstand. In artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB is de mogelijkheid opgenomen om in afwijking van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB bijzondere bijstand te verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a van dat artikel genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.
4.4. Vaststaat dat appellant bij het ontstaan van de schuld van zijn broer - en ook ten tijde in geding - beschikte over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Dit betekent dat het bepaalde in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, van de WWB in beginsel aan bijstandsverlening is de weg staat. De algehele medische situatie van appellant, in het bijzonder de hersenbloeding, hoe erg ook, kan niet als een zeer dringende redenen in de zin van artikel 49, aanhef en onder b, van de WWB worden aangemerkt. Aan het college kwam dan ook niet de bevoegdheid toe tot verlening van bijzondere bijstand voor de betreffende schuld.
4.5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2013.
(getekend) M. Hillen
(getekend) A.C. Oomkens
HD