ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2165

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
12-602 AOW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Simon
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 AOWBeschikking inzake intrekking en herziening ouderdomspensioen
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging beslissing intrekking partnertoeslag AOW wegens leeftijd partner

Appellant kreeg een partnertoeslag op grond van de Algemene Ouderdomswet (AOW). De Sociale Verzekeringsbank (Svb) besloot op 16 mei 2011 dat appellant vanaf oktober 2011 niet langer in aanmerking komt voor deze toeslag, omdat zijn partner op 21 oktober 2011 65 jaar werd en vanaf die maand een eigen AOW-pensioen ontvangt.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd op 1 juli 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank Roermond bevestigde dit oordeel en wees erop dat artikel 8 van Pro de AOW en de Beschikking inzake intrekking en herziening ouderdomspensioen duidelijk bepalen dat de toeslag eindigt in de maand waarin de partner 65 jaar wordt. Er was geen wettelijke uitzondering van toepassing.

In hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep werd het oordeel van de rechtbank bevestigd. De Raad vond dat het wettelijk kader correct was toegepast en dat de aangevoerde gronden geen aanleiding gaven tot een ander oordeel. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd op 22 februari 2013 in het openbaar gedaan.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op de partnertoeslag vanaf oktober 2011.

Uitspraak

12/602 AOW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van
7 december 2011, 11/990 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
De Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
Datum uitspraak: 22 februari 2013
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een aantal stukken ingezonden.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 januari 2013.
Appellant is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. M. Sturmans
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 16 mei 2011 heeft de Svb bepaald dat appellant vanaf oktober 2011 niet (meer) in aanmerking komt voor een partner toeslag ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW). Aan dit besluit is ten gronde gelegd dat de partner van appellant op 21 oktober 2011 65 jaar wordt en vanaf die maand een eigen AOW-pensioen krijgt.
2. Bij besluit van 1 juli 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.
3. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe als volgt overwogen (waarbij voor eiser moet worden gelezen appellant en voor verweerder Svb):
3. Artikel 8, eerste lid, van de AOW bepaalt dat de gehuwde pensioengerechtigde die vóór 1 januari 2015 recht heeft op ouderdomspensioen en van wie de echtgenoot jonger is dan 65 jaar, recht heeft op een toeslag, tenzij het inkomen uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van die echtgenoot meer bedraagt dan de volledige bruto-toeslag.
4. Op grond van artikel 1 van Pro de Beschikking inzake intrekking en herziening ouderdomspensioen vindt de intrekking van de toeslag plaats met ingang van de eerste dag van de maand waarin de partner 65 jaar wordt.
5. Nu onbestreden is dat eisers partner op 21 oktober 2011 65 jaar is geworden en er geen wettelijke bepaling is die een uitzondering op bovenvermelde wettelijke bepalingen mogelijk maakt, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank het wettelijk kader op de juiste wijze toegepast. Wat in beroep is aangevoerd heeft niet tot een ander oordeel kunnen leiden.
6. Nu het voor verweerder na indiening van de bezwaargronden duidelijk was dat het bezwaar niet tot een andersluidend oordeel zou kunnen leiden, heeft verweerder het bezwaar naar het oordeel van de rechtbank terecht kennelijk ongegrond verklaard.
7. Het vorenstaande leidt tot het oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Voor zover eiser in beroep grieven heeft aangevoerd tegen andere besluiten dan het bestreden besluit van 1 juli 2011 vallen die buiten deze beoordeling, omdat deze gronden buiten het bestreden besluit om gaan.”
4. De Raad overweegt als volgt.
5. De Raad kan zich geheel vinden in de overwegingen van de rechtbank, die hij tot de zijne maakt. Hetgeen door appellant is aangevoerd in hoger beroep heeft de Raad niet kunnen brengen tot een ander oordeel dan het oordeel dat is neergelegd in de aangevallen uitspraak. De aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
6. Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere partij ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H. Simon, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2013.
(getekend) H. Simon
(getekend) E. Heemsbergen
GdJ