ECLI:NL:CRVB:2013:BZ2122

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 februari 2013
Publicatiedatum
8 april 2013
Zaaknummer
11-1881 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43a WAO
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WAO-uitkering wegens ontbreken toename functionele beperkingen

Appellant vorderde in hoger beroep een WAO-uitkering op grond van vermeende toename van klachten en functionele beperkingen sinds 2007. Het UWV had de uitkering per 23 februari 2010 ingetrokken omdat geen toename van arbeidsbeperkingen was vastgesteld.

De bezwaarverzekeringsarts stelde dat hoewel er begin 2010 sprake was van toegenomen klachten, deze niet leidden tot zwaardere functionele beperkingen dan eerder vastgesteld in 2007. De rechtbank onderschreef dit oordeel en verklaarde het beroep ongegrond.

In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep dat het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig was en dat de aanvullende medische stukken geen aanleiding gaven tot een ander oordeel. Het bestreden besluit werd dan ook gehandhaafd en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

De uitspraak werd gedaan in aanwezigheid van de griffier en de voorzitter, waarbij appellant niet was verschenen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op WAO-uitkering wegens het ontbreken van toename van functionele beperkingen.

Uitspraak

11/1881 WAO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 februari 2011, 10/3519 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 22 februari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.A. Misker, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 december 2012. Appellant is, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.
OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft bij beslissing op bezwaar van 20 september 2010 (bestreden besluit) het bewaar van appellant tegen het besluit van 21 juni 2010 ongegrond verklaard. Bij het besluit van 21 juni 2010 heeft het Uwv bepaald dat appellant met ingang van 23 februari 2010 geen recht heeft op een uitkering ingevolge artikel 43a van de Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Er is op deze datum weliswaar een ziekmelding uit dezelfde ziekteoorzaak als die ter zake waarvan appellant tot 28 mei 2008 een WAO-uitkering - laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25% - ontving, maar er is op 23 februari 2010 geen toename geconstateerd van de klachten. Het Uwv heeft het bestreden besluit gebaseerd op een rapport van zijn bezwaarverzekeringsarts van 14 september 2010. Hierin zijn de functionele mogelijkheden weergegeven van appellant op 23 februari 2010 vergeleken met zijn functionele mogelijkheden in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 1 november 2007 die aan de intrekking van de uitkering per 28 mei 2008 ten grondslag lag.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts, dat er op basis van de medische informatie geen reden is om meer of zwaardere beperkingen aan te nemen voortkomend uit dezelfde oorzaak, voor nek- en schouderbelastend werk, dan in 2007 waren vastgesteld, kan volgen.
3. Appellant heeft in hoger beroep herhaald dat de afwijkingen aan zijn rug, schouder en nek, en daarmee zijn functionele beperkingen, wel zijn toegenomen. Hij heeft gesteld dat hij meer medicatie voorgeschreven heeft gekregen om zijn toegenomen klachten te kunnen verdragen. Met name acht appellant zich niet in staat om acht uur per dag te werken.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de bezwaarverzekeringsarts door het Uwv kon worden gevolgd. Het rapport van de bezwaarverzekeringsarts - uitgebracht tijdens de bezwaarfase - bevat een samenvatting van de gegevens uit het dossier, de medische bezwaren van appellant, een bespreking van de bezwaren van appellant aan de hand van de ter beschikking staande medische informatie en een weergave van de hoorzitting. De bezwaarverzekeringsarts heeft voorts de bevindingen van de primaire verzekeringsarts - die appellant persoonlijk heeft onderzocht - beoordeeld. Het onderzoek van de bezwaarverzekeringsarts is op zorgvuldige wijze verricht en voldoet ook overigens aan de daaraan rechtens te stellen eisen.
4.2. De door appellant in beroep toegezonden aanvullende stukken van de hand van zijn huisarts, waarin onder meer informatie van de behandelend orthopedisch chirurg is verwerkt, geven geen aanleiding het oordeel van de rechtbank onjuist te achten. Het Uwv heeft op geleide van zijn bezwaarverzekeringsarts te kennen gegeven dat daaruit, naar de maatstaven van de CBBS-systematiek gemeten, geen extra of zwaardere functionele beperkingen kunnen worden afgeleid op 23 februari 2010. De bezwaarverzekeringsarts heeft onderbouwd dat er wel toegenomen klachten waren begin 2010, maar dat uit de medische informatie geen toegenomen functionele beperkingen kunnen worden afgeleid ten opzichte van de beperkingen voor nek- en schouderbelastend werk die in 2007 al zijn vastgesteld. Er bestaat geen aanleiding voor twijfel over de juistheid van deze conclusie. Volgens vaste rechtspraak, zie onder meer rechtspraak van de Raad van 30 mei 2007, LJN BA8882, ziet artikel 43a van de WAO op toename van medische beperkingen, resulterend in een toename van arbeidsbeperkingen. Nu van een dergelijke toename geen sprake is, heeft de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten.
4.3. Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst af het verzoek om schadevergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter en E.J. Govaers en M.A. Hoogeveen als leden, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) G.J. van Gendt