ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1325

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3569 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV waarin werd vastgesteld dat hij per 31 mei 2010 geen recht heeft op een WIA-uitkering omdat zijn arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedraagt. De rechtbank heeft dit besluit bevestigd en appellant is in hoger beroep gegaan met het argument dat zowel zijn lichamelijke als psychische beperkingen zijn onderschat en dat de medicatie die hij gebruikt hem belemmert in het bedienen van machines.

De Centrale Raad van Beroep heeft geoordeeld dat het UWV het besluit heeft gebaseerd op een zorgvuldig medisch onderzoek, waarbij de bezwaarverzekeringsarts het dossier heeft bestudeerd en aanvullende informatie heeft ingewonnen bij behandelend specialisten. De arts heeft vastgesteld dat de medicatie Tramadol en Lyrica weliswaar het reactievermogen kan verminderen, maar niet in die mate dat het bedienen van gevaarlijke machines onmogelijk wordt.

Daarnaast is vastgesteld dat de arbeidskundige beoordeling de functies passend acht bij de krachten en bekwaamheden van appellant. De bezwaren tegen de functie van machinebediende zijn voldoende besproken en gemotiveerd. Er is geen aanleiding om een medisch deskundige te raadplegen. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd. Een verzoek om schadevergoeding wegens ten onrechte niet uitbetaalde uitkering wordt afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

11/3569 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 mei 2011, 10/1753 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 februari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 26 juli 2012 heeft H.J.A. Aerts zich als gemachtigde van appellant gesteld.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 21 december 2012. Partijen zijn niet verschenen.
OVERWEGINGEN
1. Bij beslissing op bezwaar van 19 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 28 mei 2010 ongegrond verklaard. Bij het besluit van 28 mei 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant per 31 mei 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), op de grond dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid per 31 mei 2010 minder dan 35% is. Het bestreden besluit berust op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellant gelijke gronden aangevoerd als hij in eerste aanleg heeft gedaan. Zij strekken alle ten betoge dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Volgens appellant had de rechtbank dat besluit moeten vernietigen omdat het Uwv zowel zijn lichamelijke als de psychische beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft onderschat. Voorts heeft de medicatie die door appellant gebruikt wordt tot gevolg dat hij niet in staat is werkzaamheden te verrichten aan machines. Daarom is de functie machinebediende inpak- en verpakkingsmachine niet passend voor appellant.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Uwv het bestreden besluit op een voldoende zorgvuldig medisch onderzoek heeft doen steunen en dat dit besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv kennis heeft genomen van het dossier en inlichtingen heeft ontvangen van behandelend psychiater i.o. S. Sobczak, revalidatiearts R.P. Strackke en psycholoog R.T.M. Migchelbrink. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts nadere medische gegevens opgevraagd bij de behandelend psychiater. Deze informatie is bij het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts betrokken. Tevens heeft de bezwaarverzekeringsarts de hoorzitting bijgewoond. De bezwaarverzekeringsarts heeft in zijn rapport van 9 november 2010 afdoende gemotiveerd waarom hij in de aanwezige gegevens geen aanleiding ziet om de Functionele Mogelijkheden Lijst aan te passen. De bezwaarverzekeringsarts heeft over het gebruik van de medicatie Tramadol en Lyrica door appellant gesteld dat deze als bijwerking een vermindering van het reactievermogen kan hebben. Hij heeft voorts te kennen gegeven dat deze vermindering niet zodanig is dat dit moet leiden tot beperkingen ten aanzien van het besturen van auto’s of het bedienen van met name potentieel gevaar opleverende machines.
4.2. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust. De geduide functies zijn passend bij de krachten en bekwaamheden van appellant. De bezwaren van appellant met betrekking tot de functie machinebediende is door de bezwaarverzekeringsarts afdoende besproken. Er is geen reden voor twijfel aan de deugdelijkheid van deze motivering.
4.3. Er is geen grond om een medisch deskundige te raadplegen.
4.4. Gelet op de overwegingen 4.1, 4.2 en 4.3, slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
4.5. Voor toekenning van de gevraagde schadevergoeding in de vorm van wettelijke rente over ten onrechte niet uitbetaalde uitkering bestaat, gelet hierop, geen aanleiding.
5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) M. Sahin