ECLI:NL:CRVB:2013:BZ1322

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-2338 WAO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ, en WAJONG 1999
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking WAO-uitkering ondanks betwisting medische en arbeidskundige grondslag

Appellant, die sinds 1996 een WAO-uitkering ontving en sinds 1998 in Turkije verblijft, werd geconfronteerd met intrekking van zijn uitkering wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%.

Het UWV baseerde dit besluit op uitgebreid medisch en arbeidskundig onderzoek, waaronder rapporten van specialisten en een bezwaarverzekeringsarts die de functionele mogelijkhedenlijst (FML) bevestigde. Appellant voerde aan dat zijn psychiatrische klachten onvoldoende waren meegewogen en dat de geduide functies niet passend waren vanwege zijn beperkte beheersing van de Nederlandse taal.

De rechtbank en vervolgens de Centrale Raad van Beroep oordeelden dat het medisch onderzoek zorgvuldig en deugdelijke arbeidskundige beoordeling hadden plaatsgevonden. De Raad vond geen aanleiding tot benoeming van een onafhankelijke deskundige en concludeerde dat appellant in staat was de eenvoudige functies uit te oefenen. Ook het verblijf in Turkije stond de intrekking niet in de weg.

De Raad bevestigde daarmee het bestreden besluit en de eerdere uitspraak van de rechtbank, zonder proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

11/2338 WAO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 9 maart 2011, 10/4939 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.], Turkije (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 1 februari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 december 2012. Voor appellant is verschenen mr. N. Türkkol, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.
OVERWEGINGEN
1. Appellant is laatstelijk tot 1995 werkzaam geweest, gedurende 40 uur per week als bakkerijmedewerker. Aan hem is met ingang van 26 december 1996 een uitkering in gevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Hij is in 1998 naar Turkije teruggekeerd.
2. Bij beslissing op bezwaar van 8 september 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 26 april 2010 ongegrond verklaard. Bij het besluit van 26 februari 2010 heeft het Uwv de WAO-uitkering met ingang van 26 oktober 2010 ingetrokken op de grond dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid minder dan 15% is. Het bestreden besluit berust op verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige onderzoeken.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
4. In hoger beroep heeft appellant gelijke gronden aangevoerd als hij in eerste aanleg heeft gedaan. Zij strekken alle ten betoge dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Volgens appellant had de rechtbank dat besluit moeten vernietigen omdat het Uwv appellants beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft onderschat. Ten onrechte zijn de psychische klachten van appellant niet in voldoende mate bij het vaststellen van zijn beperkingen betrokken, hierdoor zijn ook de geduide functies niet passend voor appellant. Ten onrechte is geen urenbeperking in aanmerking genomen.
Appellant heeft voorts naar voren gebracht dat de vraag is of nu hij niet meer naar Nederland kan en mag terugkeren de beoordeling wel vanuit Nederlands perspectief mag geschieden, vooral nu de artsen in Turkije een andere benadering van appellants klachten hebben dan de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv. Van appellant mag verder niet verlangd worden dat hij de geduide functies verricht waarvoor beheersing van de Nederlandse taal nodig is nu appellant sinds 1998 met toestemming van het Uwv in Turkije verblijft.
Gezien de tegenstrijdige diagnosen en de bezwaren van appellant had de rechtbank een onafhankelijk deskundige moeten benoemen.
5. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
5.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het medisch onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voldoende zorgvuldig is geweest en dat het bestreden besluit berust op een deugdelijke medische grondslag. Op initiatief van het Uwv zijn er ten aanzien van appellant expertises verricht door een psychiater, een orthopeed en een neuroloog. De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat de bezwaarverzekeringsarts van het Uwv deel heeft genomen aan de telefonische hoorzitting en kennis heeft genomen van het dossier en de rapporten naar aanleiding van de onderzoeken door de psychiater, internist, neuroloog en orthopeed alle uit maart 2010. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport van 5 augustus 2010 afdoende gemotiveerd waarom zij in de beschikbare gegevens geen aanleiding ziet om de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aan te passen dan wel om een nader psychiatrisch onderzoek te gelasten. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport te kennen gegeven dat er geen aanleiding is het door psychiater W.M.J. Hassing verrichte onderzoek als onzorgvuldig of van onvoldoende kwaliteit te beschouwen, hierbij heeft zij mede in aanmerking genomen dat deze psychiater gebruik heeft gemaakt van een beëdigde tolk in de Turkse taal.
5.2. Appellant heeft in hoger beroep wederom gewezen op bij hem bestaande psychiatrische klachten. Volgens hem heeft de rechtbank ten onrechte nagelaten een onafhankelijk psychiater te laten rapporteren. Hierbij heeft appellant verwezen naar de gegevens van dr. A. Agir van 30 mei 2007. Ten onrechte heeft het Uwv de bij de beoordeling door die medicus naar voren gekomen beperkingen niet overgenomen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in haar rapport ook onvoldoende inzichtelijk gemaakt dat een urenbeperking niet nodig is.
5.3. Het betoog van appellant slaagt niet. Appellant heeft geen medische gegevens in geding gebracht die twijfel rechtvaardigen aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank over de medische grondslag van het bestreden besluit. In het bijzonder is er geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van de conclusie van de bezwaarverzekeringsarts. Juist naar aanleiding van de bevindingen van de arts Agir is in Nederland onder meer een expertise verricht door psychiater Hassing. Appellant heeft ook in hoger beroep niet aannemelijk gemaakt dat er enige grond is te oordelen dat hij op medische gronden, naar objectieve maatstaven gemeten, meer beperkingen heeft dan ten aanzien van hem zijn neergelegd in de FML.
5.4. Er is geen aanleiding een medisch deskundige te benoemen om te rapporteren aan de Raad.
5.5. De rechtbank heeft voorts met juistheid geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke arbeidskundige grondslag berust. In haar rapport van 6 september 2010 heeft de bezwaararbeidsdeskundige van het Uwv de geduide functies bezien en te kennen gegeven dat op basis van de vastgestelde beperkingen de geduide functies passend zijn bij de krachten en bekwaamheden van appellant.
5.6. Er is geen rechtens relevante reden om deze geduide functies niet passend te achten vanwege de beperkte beheersing van de Nederlandse taal van appellant of vanwege het gevraagde opleidingsniveau. Appellant, die in Turkije de basisschool heeft voltooid is in Nederland in verschillende productiefuncties werkzaam geweest. Uit de uitspraken van de Raad van onder meer 8 mei 2009, LJN BI3744 en 16 januari 2001, LJN AL3647, komt naar voren dat ook de verzekerde met een beperkte lees- en taalvaardigheid in de Nederlandse taal in staat moet worden geacht eenvoudige productiefuncties te vervullen. Nu uit de functiebeschrijvingen in het Resultaat Functiebeoordeling van de geduide functies naar voren komt dat het hier eenvoudige en routinematige functies betreft met opleidingsniveau 2, waarin volgens een vast patroon met mondelinge opdrachten en eenvoudige schriftelijke instructies wordt gewerkt, is de conclusie gerechtvaardigd dat appellant in staat moet worden geacht te voldoen aan de eisen die in die functies worden gesteld met betrekking tot de schriftelijke en mondelinge beheersing van de Nederlandse taal.
5.7. Een verblijf in het buitenland staat niet aan de intrekking of verlaging van de uitkering in de weg. In overeenstemming met de bijlage bij het Besluit einde wachttijd en uitlooptermijn WAO, WAZ, en WAJONG 1999 is in het geval van appellant een uitlooptermijn in acht genomen van zes maanden. Met de omstandigheid dat terugkeer naar Nederland van appellant verblijfsrechtelijk op moeilijkheden kan stuiten, is aldus voldoende rekening gehouden.
5.8. Hetgeen onder 5.1 tot en met 5.7 is overwogen leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom als voorzitter, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 februari 2013.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) M. Sahin