ECLI:NL:CRVB:2013:BZ0942

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 februari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-6014 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:24 AwbArt. 8:54 AwbArt. 21 Beroepswet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken beroepsgronden

Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Alkmaar. Het ingediende beroepschrift bevatte echter geen beroepsgronden, hetgeen vereist is op grond van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad heeft appellante bij brief van 15 november 2012 in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen, maar deze termijn is ongebruikt voorbijgegaan.

Vervolgens is bij aangetekende brief van 17 december 2012 nogmaals een termijn van vier weken gesteld om de beroepsgronden in te dienen, met de waarschuwing dat overschrijding zou leiden tot niet-ontvankelijkheid. Ook deze termijn is ongebruikt verstreken. Omdat geen redenen zijn gebleken die dit verzuim kunnen verontschuldigen, heeft de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk verklaard zonder inhoudelijke behandeling.

De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 6 februari 2013. Er is geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken verzet open bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van beroepsgronden.

Uitspraak

12/6014 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 16 oktober 2012, 11/1581 en 11/1615 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
Datum uitspraak: 6 februari 2013
PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
OVERWEGINGEN
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht, is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het beroep dient te bevatten. Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Het ingediende beroepschrift bevat echter geen gronden.
Bij brief van 15 november 2012 is appellante in de gelegenheid gesteld dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Appellante heeft deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Bij aangetekende brief van 17 december 2012 is aan appellante nogmaals de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een termijn van vier weken gesteld en is appellante erop gewezen dat overschrijding van die termijn tot gevolg zal hebben dat de zaak niet inhoudelijk wordt behandeld.
Appellante heeft ook deze termijn ongebruikt voorbij laten gaan.
Nu niet is gebleken van redenen die een verontschuldiging vormen voor dit verzuim, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van T. Hemelrijk-van den Oudenalder als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) T. Hemelrijk-van den Oudenalder
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.