ECLI:NL:CRVB:2013:BY9152

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-6851 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.H.M. Roelofs
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 58 WWB
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering bijstand wegens latere toekenning Wajong-uitkering

Appellante ontving vanaf december 2008 bijstand op grond van de WWB. Later werd vastgesteld dat zij met terugwerkende kracht vanaf september 2008 een Wajong-uitkering ontving die hoger was dan de bijstand. Het college vorderde daarom de kosten van bijstand over de periode december 2008 tot juni 2009 terug.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze terugvordering ongegrond. In hoger beroep betoogde appellante dat zij het teruggevorderde bedrag reeds volledig had verrekend met haar Wajong-uitkering, waardoor de terugvordering onterecht zou zijn.

De Raad oordeelde dat het college bevoegd was tot terugvordering op grond van artikel 58 WWB Pro, omdat de Wajong-uitkering betrekking had op de bijstandsperiode. Hoewel er verrekeningen hadden plaatsgevonden, was het UWV pas vanaf november 2009 bedragen gaan inhouden ter compensatie. Het college had bovendien nadien teveel verrekende bedragen hersteld en aan appellante terugbetaald.

De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat de terugvordering terecht was en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en het terugvorderingsbesluit van het college wordt bevestigd.

Uitspraak

11/6851 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 13 oktober 2011, 10/625 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
het college van burgemeester en wethouders van Vianen (college)
Datum uitspraak 22 januari 2013.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 december 2012. Appellant is, met voorafgaand bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. C. Hermsen.
OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving sinds 10 december 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande jonger dan 21 jaar. Eind juni 2009 is bekend geworden dat appellante met ingang van 25 september 2008 in aanmerking is gebracht voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Die uitkering was hoger dan de aan appellante verleende bijstandsuitkering.
1.2. Bij besluit van 25 juni 2009 heeft het college, voor zover hier van belang, de kosten van bijstand over de periode van 10 december 2008 tot 1 juni 2009 tot een bedrag van € 1.044,65 van appellante teruggevorderd.
1.3. Bij besluit van 4 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 juni 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Aan artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB ligt de gedachte ten grondslag dat kosten van bijstand, die niet zou zijn verleend indien de betrokkene al op een eerder tijdstip over naderhand beschikbaar gekomen middelen had kunnen beschikken, kunnen worden teruggevorderd. Dat achteraf rekening wordt gehouden met die later ontvangen middelen en dat de eerder verleende bijstand kan worden teruggevorderd, hangt samen met het aanvullend karakter van de bijstand. Artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB biedt dan ook een terugvorderingsgrond, indien bepaalde middelen of aanspraken daarop aanwezig zijn, maar daarover feitelijk nog niet of niet volledig kan worden beschikt. Zodra over die middelen kan worden beschikt, kan tot terugvordering worden overgegaan.
4.2. Vaststaat dat appellante achteraf alsnog een uitkering ingevolge de Wajong is toegekend en dat deze uitkering mede betrekking heeft op de periode waarover appellante bijstand is verleend. Hieruit volgt dat het college bevoegd was de kosten van bijstand terug te vorderen op grond van artikel 58, eerste lid, aanhef en onder f, ten eerste, van de WWB.
4.3. Appellante heeft aangevoerd dat er reeds volledige verrekening van het teruggevorderde bedrag aan bijstand met de uitkering ingevolge de Wajong heeft plaatsgevonden en dat het college daarom ten onrechte van haar een bedrag van € 1.044,65 heeft teruggevorderd. Uit de door appellante in hoger beroep overgelegde gegevens blijkt echter dat het UWV eerst over de maanden november 2009 (€ 364,13), december 2009 (€ 364,13) en januari 2010 (€ 316,39) bedragen op de Wajong-uitkering heeft ingehouden ter verrekening met eerder verleende bijstand.
4.4. Ter zitting is namens het college verklaard dat wat teveel is verrekend of afgelost naderhand weer is hersteld en aan appellante is nabetaald. De omstandigheid dat appellante inmiddels niets meer aan het college hoeft terug te betalen, doet, anders dan appellante meent, op zichzelf niets af aan de juistheid van het bestreden terugvorderingsbesluit.
4.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door R.H.M. Roelofs, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2013.
(getekend) R.H.M. Roelofs
(getekend) M. Sahin
IJ