ECLI:NL:CRVB:2013:BY8326

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
11 januari 2013
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-1165 MAW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.Th. Wolleswinkel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:75 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens tegemoetkoming bestuursorgaan

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage. De minister van Defensie is geheel tegemoetgekomen aan appellant, waardoor het hoger beroep is ingetrokken. De Centrale Raad van Beroep beoordeelt vervolgens de proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet.

De Raad stelt vast dat de minister niet heeft betwist dat aan appellant is tegemoetgekomen en veroordeelt de minister daarom in de proceskosten die appellant redelijkerwijs heeft moeten maken. De kosten worden begroot op € 2.268,--, bestaande uit kosten voor rechtsbijstand in beroep en hoger beroep en kosten van een deskundigenverslag.

De uitspraak is gedaan zonder zitting na toestemming van partijen en betreft een afzonderlijke uitspraak over de proceskostenveroordeling. De Raad beveelt betaling van het bedrag door de Staat der Nederlanden aan appellant.

Uitkomst: De minister van Defensie wordt veroordeeld tot betaling van € 2.268,-- aan proceskosten aan appellant.

Uitspraak

10/1165 MAW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 13 januari 2010, 08/8629 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Staatssecretaris van Defensie, thans: de Minister van Defensie (minister)
Datum uitspraak: 11 januari 2013
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft de heer mr. H.G.M. van Dijk hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
De Raad heeft op 19 april 2012 een tussenuitspraak gedaan waarin de minister is opgedragen om binnen acht weken het gebrek in het besluit van 23 oktober 2008 te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.
Bij brief van 11 juli 2012 heeft de heer mr. H.G.M. van Dijk namens appellant het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht de minister te veroordelen in de proceskosten.
Bij brief van 16 augustus 2012 heeft de minister gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.
OVERWEGINGEN
Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 21 van Pro de Beroepswet is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat, zoals aangegeven in de brief van de heer Van Dijk, (geheel) aan appellant is tegemoetgekomen.
Nu de minister niet heeft betwist dat aldus aan appellant is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om de minister te veroordelen in de kosten die appellant in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op door een
€ 644,-- in beroep en € 874,-- in hoger beroep voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand en € 750,-- voor de kosten van een uitgebracht verslag van een deskundige, in totaal € 2.268,--.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep veroordeelt de minister in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.268,-- te betalen door de staat der Nederlanden.
Deze uitspraak is gedaan door J.Th. Wolleswinkel, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 januari 2013.
(getekend) H.J. de Mooij
(getekend) M. Zwart