ECLI:NL:CRVB:2013:966
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WAJONG-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant, geboren in 1989, liep bij een auto-ongeluk in 2008 hersenletsel en andere verwondingen op. Hij vroeg in januari 2010 een WAJONG-uitkering aan. Na medisch en arbeidskundig onderzoek oordeelde het UWV dat appellant niet meer dan 25% arbeidsongeschikt was gedurende een heel jaar, waardoor hij geen recht had op de uitkering.
In de bezwaarprocedure werden aanvullende medische rapporten overgelegd, waaronder van een neuroloog en een GZ-psycholoog, die lichte cognitieve stoornissen en pijnklachten constateerden. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde echter dat deze beperkingen niet tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid leidden. De bezwaararbeidsdeskundige wijzigde de functieduiding, maar ook daarmee was er geen loonverlies.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en vond geen reden om het oordeel over de belastbaarheid te wijzigen. In hoger beroep voerde appellant aan dat de belastbaarheid onjuist was ingeschat, maar de Raad volgde de rechtbank en het UWV. De Raad concludeerde dat de resterende cognitieve en fysieke beperkingen juist waren ingeschat en dat de geduide functies passend waren.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en wees erop dat appellant bij verslechtering van zijn gezondheid een nieuwe aanvraag kan indienen. De proceskosten werden niet aan appellant opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WAJONG-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.