Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:878

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 juni 2013
Publicatiedatum
8 juli 2013
Zaaknummer
11-6076 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na zorgvuldig medisch onderzoek

Appellant, een voormalig internationaal vrachtwagenchauffeur, viel uit wegens psychische en fysieke klachten, waaronder linkerbeenproblemen. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en wees de WIA-uitkering af. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de medische rapporten van verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts betrouwbaar waren en het arbeidskundig onderzoek passend was.

In hoger beroep handhaafde appellant zijn bezwaren tegen de medische beoordeling, met name over zijn fysieke klachten en de samenhang met psychische problemen. De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en het UWV, waarbij de medische onderzoeken zorgvuldig en volledig werden bevonden, inclusief informatie van behandelend artsen en orthopedisch chirurg.

Er waren geen objectief-medische aanknopingspunten om af te wijken van het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts, ook niet ten aanzien van psychische klachten. De Raad adviseerde appellant bij verslechtering van zijn gezondheid een nieuwe beoordeling bij het UWV aan te vragen. De arbeidskundige grondslag werd eveneens bevestigd. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

11/6076 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van
8 september 2011, 11/708 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 14 juni 2013
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarop door appellant is gereageerd.
Appellant heeft nadere stukken ingezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 mei 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door G. [J.] te [plaatsnaam]. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. W.J. Belder.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is op 24 november 2008 wegens psychische klachten uitgevallen als internationaal vrachtwagenchauffeur. Daarnaast heeft appellant klachten van fysieke aard, met name linker beenklachten, samenhangend met vroeger doorgemaakte fracturen.
1.2. Bij besluit van 29 oktober 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 22 november 2010 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), daar hij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
1.3. Bij besluit van 28 januari 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 29 oktober 2010 ongegrond verklaard.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2.2. De rechtbank heeft, gelet op de beschikbare medische gegevens, waaronder (met name) de rapporten van verzekeringsarts J.T.M. Schneijdenberg van 8 september 2010 en van bezwaarverzekeringsarts R.R. van den Enden van 20 januari 2011, geen reden gezien om te twijfelen aan de juistheid van de door het Uwv vastgestelde belastbaarheid van appellant per
22 november 2010.
2.3. Beide verzekeringsartsen hebben appellant medisch onderzocht. Daarnaast beschikten zij over informatie van de behandelend sector, waaronder de uitslag van een MRI-onderzoek naar appellants hoofdpijnklachten en informatie van appellants huisarts, waarbij zich ook informatie bevond van de behandelend orthopedisch chirurg over het linkerbeen van appellant.
2.4. Voorts heeft de rechtbank overwogen dat de (bezwaar)arbeidsdeskundige voldoende heeft gemotiveerd dat de functies die bij de schatting zijn gebruikt voor appellant passend zijn te achten. De opmerking van appellant inzake het theoretisch gehalte van het arbeidskundig onderzoek, kan volgens de rechtbank niet afdoen aan de juistheid van de conclusies van dat onderzoek, omdat het inderdaad gaat om een theoretische schatting en dus niet om een schatting aan de hand van feitelijk bestaande arbeidsmogelijkheden.
3.1. In hoger beroep heeft appellant de door hem in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden tegen de medische grondslag van het bestreden besluit gehandhaafd.
In het bijzonder handhaaft hij zijn stelling dat de voor hem vastgestelde belastbaarheid op fysiek gebied geen recht doet aan de problemen die hij ondervindt aan zijn linkerbeen, linkerenkel en linkerknie.
3.2. Zijn psychische problemen hangen, aldus appellant, samen met zijn lichamelijke problemen. Appellant meent dat van hem, gelet op het geheel van zijn gezondheidsproblemen, niet kan worden verwacht aan de slag te gaan in de functies die aan de schatting ten grondslag zijn gelegd.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. De overwegingen en het oordeel waartoe de rechtbank is gekomen met betrekking tot het medische oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv, worden onderschreven. Er bestaat geen aanleiding het onderzoek door die artsen als niet volledig of anderszins als niet voldoende zorgvuldig aan te merken. Naast de resultaten van eigen medisch onderzoek, beschikten de verzekeringsartsen over informatie van de behandelend artsen, in het bijzonder ook informatie van de orthopedisch chirurg Van Loon naar aanleiding van diens poliklinisch onderzoek van appellant op 3 november 2010.
4.3. In zijn rapport van 20 januari 2011 vermeldt bezwaarverzekeringsarts Van den Enden onder meer expliciet de conclusies waartoe Van Loon is gekomen met betrekking tot de problemen waarmee appellant kampt aan zijn linkerknie en linkerenkel. Van den Enden ziet hierin evenwel geen aanknopingspunten om af te wijken van het oordeel van verzekeringsarts Schneijdenberg.
4.4. Er is, ook in hoger beroep, niet kunnen blijken van aanknopingspunten in
objectief-medische zin, om de zienswijze van genoemde bezwaarverzekeringsarts niet juist te achten. Dergelijke aanknopingspunten zijn er ook niet wat betreft appellants klachten op psychisch gebied. Daarbij geldt in het bijzonder dat er geen gegevens zijn die wijzen op een bij appellant bestaande wezenlijke geheugenproblematiek ten tijde in dit geding van belang.
4.5. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting, wordt nog overwogen dat, voor zover appellant van mening is dat zijn gezondheidssituatie na de datum in geding is verslechterd en zijn functionele mogelijkheden (verder) zijn afgenomen, hij zich ter zake tot het Uwv kan wenden met het verzoek te beoordelen of sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid die aanleiding vormt alsnog over te gaan tot toekenning van een uitkering op grond van de
Wet WIA.
4.6. Ten slotte wordt de rechtbank ook gevolgd in haar oordeel over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, met betrekking tot welke grondslag appellant overigens in hoger beroep geen afzonderlijke bezwaren naar voren heeft gebracht.
4.7. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5.
Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2013.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) H.J. Dekker

CVG