Uitspraak
29 maart 2011, 10/5356 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellant, woonachtig in Duitsland en werkzaam in Nederland, startte in 2005 een procedure tegen de Deutsche Familienkasse (DF) vanwege een terugvordering van ten onrechte betaalde kinderbijslag. Tegelijkertijd verzocht hij bij de Sociale verzekeringsbank (Svb) om kinderbijslag, wat leidde tot meerdere besluiten over toekenning en herziening.
Appellant vroeg vervolgens vergoeding van de door hem gemaakte (buiten)gerechtelijke kosten in verband met de procedure tegen de DF, stellende dat de Svb eerder had moeten beslissen over de terugwerkende kracht van de kinderbijslag. De Svb wees dit verzoek af omdat geen direct causaal verband bestond tussen haar besluitvorming en de procedurekosten tegen de DF.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de Svb niet aansprakelijk was voor de schade. De Centrale Raad van Beroep onderschreef dit oordeel en voegde toe dat appellant onvoldoende stukken had over de Duitse procedure om een causaal verband aan te tonen.
Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding door de Sociale verzekeringsbank wordt bevestigd.