ECLI:NL:CRVB:2013:857

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 juli 2013
Publicatiedatum
4 juli 2013
Zaaknummer
11-6950 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 20 Wuv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek uitbreiding huishoudelijke hulp wegens ontbreken medische noodzaak

Appellante, erkend als vervolgde in de zin van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv), verzocht om uitbreiding van haar vergoeding voor huishoudelijke hulp. Deze verzoeken werden eerder afgewezen omdat geen medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid voor de uitbreiding bestond.

De Raad overwoog dat het beleid maximaal twintig uur huishoudelijke hulp per week toekent aan gehuwde Wuv-gerechtigden gezamenlijk, waarbij meer dan twee dagdelen alleen worden toegekend bij specifieke beperkingen zoals chaotisch gedrag of ernstige zelfverwaarlozing. Appellante en haar echtgenoot ontvangen gezamenlijk al een vergoeding voor twaalf uur per week.

De Raad concludeerde dat het beleid correct is toegepast en dat er geen aanvullende medische gronden zijn voor uitbreiding. Ook het beroep op de regeling voor personen van 70 jaar en ouder faalde omdat deze niet geldt voor uitbreiding boven twaalf uur. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de uitbreiding van huishoudelijke hulp wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

11/6950 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (Italië), appellante
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb), verweerder
PROCESVERLOOP
Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 31 augustus 2011, kenmerk BZ01306791. Dit besluit betreft de uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Van de zijde van appellante zijn nog nadere stukken ingediend.
Het beroep is behandeld ter zitting van 23 mei 2013, waar namens appellante is verschenen mr. E. Unger, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante is in 1989 erkend als vervolgde in de zin van de Wuv. Bij besluit van 24 maart 1993 is vastgesteld dat appellante psychische ziekten of gebreken heeft die zijn ontstaan door of in verband met de vervolging, namelijk slaapstoornissen en angsten. Niet aanvaard is dat de depressieve stoornissen van appellante verband houden met de vervolging. Bepaald is bij dit besluit dat de met de vervolging in verband staande psychische klachten niet hebben geleid tot invalidering in de zin van de Wuv.
1.2.
Met ingang van 1 december 1986 is aan appellante een vergoeding toegekend voor huishoudelijke hulp tot een maximum van vier uur per week. In januari 2000 heeft appellante verzocht om uitbreiding van die vergoeding naar drie dagdelen per week. Hierop is bij besluit van 28 december 2001, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 30 juli 2002, afwijzend beslist op de grond dat voor de gevraagde uitbreiding geen medische noodzaak of medisch-sociale wenselijkheid bestond door uit de vervolging voortvloeiende psychische klachten.
1.3.
In juni 2010 heeft appellante opnieuw verzocht om uitbreiding van de vergoeding voor huishoudelijke hulp, nu naar acht uur per week. Bij besluit van 17 december 2010 heeft verweerder hierop afwijzend beslist, op de grond dat er geen medische noodzaak dan wel medisch-sociale wenselijkheid bestaat voor deze uitbreiding op grond van de uit de vervolging voortvloeiende ziekten of gebreken. Hierbij is overwogen dat de echtgenoot van appellante al een vergoeding voor twee dagdelen huishoudelijke hulp ontvangt en dat geen sprake is van beperkingen in de maaltijdbereiding, chaotisch gedrag of (zelf)verwaarlozing. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2.
De Raad overweegt als volgt.
2.1.
Op grond van het bepaalde in artikel 20 van Pro de Wuv worden, indien de vervolgde wegens ziekten of gebreken die door of in verband met de vervolging zijn ontstaan of verergerd geneeskundige behandeling en verpleging behoeft, de daaraan verbonden ten laste van de vervolgde blijvende noodzakelijke kosten, alsmede de daarmee direct verband houdende extra kosten voor noodzakelijke voorzieningen, volledig vergoed.
2.2.
Verweerder hanteert met betrekking tot het aantal toe te wijzen uren huishoudelijke hulp het beleid dat als twee Wuv-gerechtigden met elkaar gehuwd zijn of duurzaam een gezamenlijke huishouding voeren, maximaal twintig uur (vijf dagdelen) per week huishoudelijke hulp toegekend kan worden voor het gehele huishouden. Verder geldt dat wanneer gezamenlijk meer dan twaalf uur huishoudelijke hulp wordt gevraagd, de toegekende of toe te kennen hulp van de partner bij de beoordeling van de omvang van de toe te kennen huishoudelijke hulp wordt betrokken. Ook vermeldt het beleid dat meer dan twee dagdelen alleen dan kunnen worden toegekend wanneer bij een belanghebbende causale beperkingen zijn in de maaltijdbereiding of als sprake is van ernstige zelfverwaarlozing en/of chaotisch gedrag.
2.3.
Bij uitspraak van 15 december 2011, LJN BU9011, heeft de Raad het onder 2.2 vermelde beleid in overeenstemming met een redelijke uitleg en toepassing van artikel 20 van Pro de Wuv geacht. Van de zijde van verweerder was toegelicht dat voor zware huishoudelijke werkzaamheden, zoals stofzuigen, ramen lappen en sanitair schoonmaken, per huishouden vier uur per week wordt vergoed, nu die werkzaamheden binnen een huishouden niet twee keer per week hoeven te worden verricht zodat deze vier uur maar één keer wordt toegekend. Als daarnaast, zoals in het geval van appellante en haar echtgenoot, beiden recht hebben op een vergoeding van vier uur per week voor hulp bij lichte huishoudelijke werkzaamheden, bedraagt het maximaal toe te kennen aantal uren huishoudelijke hulp één keer vier uur voor de zware huishoudelijke werkzaamheden en twee keer vier uur voor de lichtere werkzaamheden, dus twaalf uur per week. Dat kan alleen anders zijn als op grond van causale ziekten of gebreken verdergaande hulp noodzakelijk is.
2.4.
De gemachtigde van appellante heeft naar voren gebracht dat het hiervoor beschreven beleid niet op de situatie van appellante kon worden toegepast. De Raad volgt de gemachtigde niet in dit standpunt. Appellante heeft sinds 1993 een vergoeding voor vier uur huishoudelijke hulp en aan haar echtgenoot is met ingang van 1 januari 2008 een vergoeding voor acht uur huishoudelijke hulp toegekend, in totaal dus een vergoeding voor twaalf uur per week. Het beleid, met de onder 2.2 omschreven beperkingen, is dus rechtstreeks op appellante van toepassing. Het bestreden besluit is verder deugdelijk voorbereid en toereikend gemotiveerd. Er is advies uitgebracht door twee geneeskundig adviseurs en er is informatie ingewonnen bij de huisarts van appellante. Dat er ook informatie had moeten worden ingewonnen bij de orthopedisch chirurg volgt de Raad niet, nu voldoende is onderbouwd dat de gewrichtsklachten van appellante niet in verband staan met de vervolging.
2.5.
Appellante heeft nog een beroep gedaan op de regeling inzake het vervallen van de causaliteitseis voor personen van 70 jaar en ouder. Ook dit beroep kan niet slagen. Deze regeling is wel op appellante van toepassing, maar geldt niet als een uitbreiding van meer dan (in totaal) twaalf uur aan huishoudelijke hulp aan de orde is.
3.
Gezien hetgeen onder 2.3 tot en met 2.5 is overwogen, wordt het beroep ongegrond verklaard.
4.
Er is geen aanleiding voor vergoeding van proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en
G.F. Walgemoed als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 juli 2013.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) J.T.P. Pot

IJ