ECLI:NL:CRVB:2013:2798
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante is na een knieblessure door een fietsongeval arbeidsongeschikt geraakt en heeft een WIA-uitkering aangevraagd. Het UWV stelde vast dat haar arbeidsongeschiktheid minder dan 35% bedroeg, waardoor geen recht op uitkering ontstond. Dit besluit werd ook na bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat de verzekeringsarts en bezwaarverzekeringsarts hun oordeel baseerden op zorgvuldig medisch onderzoek en de Functionele Mogelijkhedenlijst, waaruit bleek dat appellante beperkt maar niet volledig verhinderd is in knielen, hurken en buigen.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij meer beperkingen heeft, ondersteund door een brief van haar orthopedisch chirurg. De Raad oordeelde echter dat deze brief geen nieuwe medische feiten bevatte die het eerdere oordeel ondermijnen. De bezwaarverzekeringsarts stelde dat buigen tot 90 graden mogelijk is, wat voldoende grondbereik geeft.
De functies waarop de arbeidsdeskundige de belastbaarheid baseerde, bevatten geen werkzaamheden die knielen of hurken vereisen. De Raad concludeert dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigt de eerdere uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV wordt bevestigd dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.