ECLI:NL:CRVB:2013:2539
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- E.E.V. Lenos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inburgeringsplicht ondanks beroep op OTSI-overeenkomst
Appellante, geboren in Indonesië en houdster van de Indonesische nationaliteit, woont sinds 2000 in Nederland met een verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Het dagelijks bestuur stelde vast dat zij inburgeringsplichtig is en legde een termijn op voor het behalen van het inburgeringsexamen. Appellante maakte bezwaar tegen deze plicht, dat door het dagelijks bestuur en de rechtbank werd afgewezen.
In hoger beroep stelde appellante dat zij geen vreemdeling is in de zin van de Wet inburgering (Wi) vanwege de Overeenkomst betreffende de toescheiding van staatsburgers Indonesië (OTSI). Zij betoogde dat haar vader als Nederlands onderdaan volgens de OTSI niet als vreemdeling geldt, en dat zij diens juridische status volgt.
De Raad oordeelde dat het begrip vreemdeling in de OTSI verschilt van dat in de Vreemdelingenwet en de Wi. Bovendien viel de vader van appellante in 1949 nog niet onder de OTSI-regeling omdat hij jonger dan 18 jaar was. Hierdoor leidt appellantes stelling niet tot het vervallen van haar inburgeringsplicht.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante inburgeringsplichtig is en wijst haar beroep af.