ECLI:NL:CRVB:2013:2539

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2013
Publicatiedatum
22 november 2013
Zaaknummer
11-2878 INBURG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 WiArt. 5 lid 2 onder d WiArt. 7 WiArt. 8 Vreemdelingenwet 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging inburgeringsplicht ondanks beroep op OTSI-overeenkomst

Appellante, geboren in Indonesië en houdster van de Indonesische nationaliteit, woont sinds 2000 in Nederland met een verblijfsvergunning op grond van de Vreemdelingenwet 2000. Het dagelijks bestuur stelde vast dat zij inburgeringsplichtig is en legde een termijn op voor het behalen van het inburgeringsexamen. Appellante maakte bezwaar tegen deze plicht, dat door het dagelijks bestuur en de rechtbank werd afgewezen.

In hoger beroep stelde appellante dat zij geen vreemdeling is in de zin van de Wet inburgering (Wi) vanwege de Overeenkomst betreffende de toescheiding van staatsburgers Indonesië (OTSI). Zij betoogde dat haar vader als Nederlands onderdaan volgens de OTSI niet als vreemdeling geldt, en dat zij diens juridische status volgt.

De Raad oordeelde dat het begrip vreemdeling in de OTSI verschilt van dat in de Vreemdelingenwet en de Wi. Bovendien viel de vader van appellante in 1949 nog niet onder de OTSI-regeling omdat hij jonger dan 18 jaar was. Hierdoor leidt appellantes stelling niet tot het vervallen van haar inburgeringsplicht.

De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien om proceskosten toe te wijzen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante inburgeringsplichtig is en wijst haar beroep af.

Uitspraak

11/2878 INBURG
Datum uitspraak: 22 november 2013
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Dordrecht van
12 april 2011, 10/516 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellante] te [woonplaats] (appellante)
het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Alblasserwaard-Oost/Vijfheerenland (dagelijks bestuur)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft J. [T.], wonende te [plaatsnaam], hoger beroep ingesteld.
Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.
Met een brief van 26 april 2013 heeft de heer [T.] een aantal vragen van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2013. Namens appellante is haar echtgenoot verschenen, bijgestaan door de heer [T.]. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door J.M. Mik.

OVERWEGINGEN

1.
Appellante is [in]1977 in Indonesië geboren en heeft de Indonesische nationaliteit. Ze woont sinds 24 augustus 2000 in Nederland en is op 5 april 2002 gehuwd met [naam echtgenoot], die de Nederlandse nationaliteit heeft. Met een besluit van 30 juli 2009 heeft het dagelijks bestuur vastgesteld dat appellante inburgeringsplichtig is als bedoeld in de Wet inburgering (Wi) en dat zij voor 1 september 2014 het inburgeringsexamen behaald moet hebben. Het bezwaar is, met een beslissing op bezwaar van 24 februari 2010 (bestreden besluit), ongegrond verklaard.
2.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
3.
In hoger beroep heeft appellante herhaald dat zij niet inburgeringsplichtig is. Zij baseert dit met name op de Overeenkomst betreffende de toescheiding van staatsburgers (OTSI), een onderdeel van de Wet Soevereiniteitsoverdracht Indonesië van 21 december 1949.
4.
De Raad kan appellante hierin niet volgen.
4.1.
Op grond van artikel 3 van Pro de Wi, zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding, is inburgeringsplichtig de vreemdeling met rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van artikel 8 onderdelen Pro a tot en met e, dan wel l, van de Vreemdelingenwet 2000, tenzij een uitzondering op deze regel van toepassing is. Vaststaat dat appellante de Indonesische nationaliteit heeft en, ten tijde in geding, in Nederland verbleef met een verblijfsvergunning op grond van artikel 8, onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Appellante voldoet dus in beginsel aan de voorwaarden om inburgeringsplichtig te zijn.
4.2.
Op grond van artikel 5, tweede lid, onder d, van de Wi is niet inburgeringsplichtig de persoon die anderszins op grond van bepalingen van verdragen of besluiten van volkenrechtelijke organisaties geen inburgeringsplicht als bedoeld in artikel 7 van Pro de Wi kan worden opgelegd. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij aan deze uitzonderingsbepaling voldoet.
4.3.
De stelling van appellante is dat uit de OTSI blijkt dat haar vader aangemerkt moet worden als Nederlands onderdaan, niet-Nederlander en dus niet als vreemdeling. Nu zij de juridische status van haar vader volgt is zij dus ook geen vreemdeling. De Raad is van oordeel dat het begrip vreemdeling in de OTSI een andere inhoud en betekenis heeft dan het begrip vreemdeling in de Vreemdelingenwet 2000 en in de Wi. Wat er ook zij van de juistheid van appellantes stelling dat haar vader als Nederlands onderdaan, niet Nederlander moet worden aangemerkt - ter zitting is gebleken dat de vader van appellante in 1949 nog niet de leeftijd van 18 jaar had bereikt en dus niet zelf onder de regeling van de OTSI viel - deze stelling leidt niet tot de conclusie dat appellante geen vreemdeling is in de zin van de Vreemdelingenwet 2000 en de Wi.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De aangevallen uitspraak dient dan ook bevestigd te worden.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en H.J. Simon en E.E.V. Lenos als leden, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2013.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) Z. Karekezi

RH