ECLI:NL:CRVB:2013:2524
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen toekenning van bijstand met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden
Appellant vroeg bijstand aan met ingang van 1 september 2011, terwijl hij zich pas op 7 oktober 2011 meldde en de aanvraag op 19 oktober 2011 indiende. Het college kende bijstand toe met ingang van 7 oktober 2011, omdat geen bijzondere omstandigheden waren vastgesteld die een eerdere ingangsdatum rechtvaardigen.
Appellant voerde aan dat hij het beëindigingsbesluit van zijn WW-uitkering niet tijdig had gezien, omdat dit achter een uitkeringsspecificatie zat, en dat het college het besluit niet apart had verzonden. De Raad oordeelde dat dit geen bijzondere omstandigheid is, mede omdat het college niet verantwoordelijk is voor het verzenden van het UWV-besluit en appellant begin augustus 2011 al een brief van het UWV ontving met het advies bijstand aan te vragen.
Verder stelde appellant dat onduidelijkheid over het verschil tussen WW- en WWB-uitkering en financiële moeilijkheden hem recht zouden geven op terugwerkende kracht. De Raad verwierp deze gronden omdat onbekendheid met regelgeving en financiële problemen geen bijzondere omstandigheden vormen.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de bijstand wordt niet met terugwerkende kracht toegekend.