ECLI:NL:CRVB:2013:2349
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- F.A.M. Stroink
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Beoordeling dwangsom bij niet tijdig beslissen op verzoek ambtenaar persoonsbeveiliger
Appellant, een ambtenaar werkzaam als persoonsbeveiliger, verzocht om toekenning van executieve status en rang van brigadier. Na afwijzing van het verzoek en bezwaar, stelde appellant beroep in wegens het uitblijven van een tijdige beslissing en verzocht om vaststelling van een dwangsom.
De korpschef nam uiteindelijk een besluit binnen de wettelijke termijn, maar appellant stelde dat de ingebrekestelling prematuur was en dat de redelijke termijn eerder was verstreken. De rechtbank oordeelde dat de korpschef geen dwangsom verschuldigd was omdat op het moment van de beslissing nog geen twee weken waren verstreken sinds de ingebrekestelling.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en wijst erop dat de redelijke termijn pas na 2 november 2010 begon te lopen, dat de eerste ingebrekestelling prematuur was en dat de tweede ingebrekestelling van 28 januari 2011 gevolgd moest worden door een termijn van twee weken voordat een dwangsom verschuldigd was. Aangezien de beslissing op 10 februari 2011 werd genomen, was de korpschef niet verplicht een dwangsom te betalen.
Het hoger beroep van de korpschef werd ingetrokken, waarbij tevens werd toegezegd een toelage toe te kennen aan appellant. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De korpschef is geen dwangsom verschuldigd omdat de beslissing binnen twee weken na ingebrekestelling is genomen.