ECLI:NL:CRVB:2013:2195
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte vaststelling aflossingscapaciteit en afwijzing beroep op vertrouwensbeginsel AOW
Appellante werd geconfronteerd met een terugvordering van onverschuldigd betaald AOW-pensioen van € 2.357,85, welke in maandelijkse termijnen werd verrekend met haar pensioen. Na onderzoek stelde de Sociale verzekeringsbank (Svb) de aflossingscapaciteit vast, die vanaf november 2011 op € 49,50 per maand werd vastgesteld. Appellante maakte bezwaar tegen deze vaststelling, maar dit werd ongegrond verklaard.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond, stellende dat zij niet voldeed aan de voorwaarden van artikel 24, tweede lid, onder a en c, van de AOW om van verdere terugvordering af te zien. Tevens werd het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen. In hoger beroep voerde appellante aan dat zij gedurende vijf jaar een aflossingscapaciteit op nihil had en dat zij mocht vertrouwen op het niet meer worden geconfronteerd met invordering.
De Raad oordeelde dat artikel 24 lid 2 onder Pro a vereist dat gedurende vijf jaar daadwerkelijk betalingen zijn verricht, wat niet het geval was. Ook onder c was niet voldaan omdat er in november en december 2011 wel betalingen plaatsvonden en het niet aannemelijk was dat appellante nooit meer zou betalen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan en de Svb gerechtigd was een administratieve fout te herstellen.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de correcte vaststelling van de aflossingscapaciteit en wijst het hoger beroep af.