ECLI:NL:CRVB:2013:2134
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- M. Hillen
- R. van der Spoel
- Rechtspraak.nl
Bevestiging gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg voor AOW-gehuwdenpensioen
Appellant ontvangt sinds maart 2007 een AOW-ouderdomspensioen voor een ongehuwde en woont op een adres te zijn woonplaats. Vanaf augustus 2010 ontvangt hij een gehuwdenpensioen omdat hij samenwoont met een partner op hetzelfde adres. Naar aanleiding van een anonieme melding startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar de rechtmatigheid van het pensioen. Dit leidde tot herziening van het ouderdomspensioen naar het gehuwdenpensioen over de periode van 1 maart 2007 tot en met 31 augustus 2010, met terugvordering van onverschuldigd ontvangen bedragen.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, maar handhaafde de rechtsgevolgen. De rechtbank oordeelde dat appellant en zijn partner hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, maar dat onvoldoende was aangetoond dat sprake was van wederzijdse zorg. De Svb motiveerde echter dat aan het zorgcriterium was voldaan.
In hoger beroep betwist appellant dat sprake is van wederzijdse zorg en stelt dat zijn partner slechts als gast verbleef. De Raad stelt vast dat zij hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en dat wederzijdse zorg aanwezig is, onder meer door het gratis bieden van onderdak, het gezamenlijk koken, het schoonmaken van de woning door de partner en andere gezamenlijke activiteiten. De Raad bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.