ECLI:NL:CRVB:2013:2128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering na verzoek appellante onder bekendheid psychische gesteldheid
Appellante ontving bijstand volgens de WWB en werd in november 2010 uitgenodigd voor een gesprek naar aanleiding van waarnemingen van werkzaamheden die zij verrichtte. Tijdens dit gesprek gaf zij aan de bijstand per 2 november 2010 te willen beëindigen en ondertekende een verklaring. Het dagelijks bestuur trok de bijstand daarop in en verklaarde het bezwaar ongegrond.
Appellante stelde dat zij niet uit eigen beweging had verklaard de bijstand te willen beëindigen, dat zij onder ontoelaatbare druk stond vanwege haar psychische klachten en dat zij onvoldoende bedenktijd had gekregen. De Raad oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet in staat was haar wil te bepalen of dat haar verzoek niet overeenkwam met haar wil. Ook was er geen sprake van ontoelaatbare druk en had zij voldoende gelegenheid tot bezinning.
De Raad concludeerde dat het dagelijks bestuur voldoende reden had om onderzoek te doen en dat het verzoek tot beëindiging van de bijstand rechtsgeldig was gedaan. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van de bijstandsuitkering bevestigd.