ECLI:NL:CRVB:2013:2101

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 oktober 2013
Publicatiedatum
17 oktober 2013
Zaaknummer
13-3808 ZW-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • Ch. van Voorst
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 8:104 AwbArt. 8:108 AwbZiektewet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij beëindiging Ziektewetuitkering wegens arbeidsgeschiktheid

Verzoeker heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om zijn Ziektewetuitkering te beëindigen per 5 november 2012, omdat hij vanaf die datum geschikt werd geacht voor arbeid. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het medische onderzoek van de verzekeringsartsen als zorgvuldig werd beoordeeld.

In hoger beroep verzocht verzoeker om een voorlopige voorziening om het besluit te vernietigen en te bepalen dat hij per datum ziekmelding arbeidsongeschikt moet worden geacht. De voorzieningenrechter heeft het verzoek afgewezen omdat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van een spoedeisend belang, met name op financieel gebied.

Er zijn geen stukken overgelegd die een urgente financiële noodsituatie aantonen en er is geen zwaarwegend belang gebleken dat het wachten op de bodemprocedure onaanvaardbaar maakt. De voorzieningenrechter concludeert dat het verzoek om voorlopige voorziening niet kan worden toegewezen.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang.

Uitspraak

13/3808 ZW-VV
Datum uitspraak: 16 oktober 2013
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening
Partijen:
[Verzoeker] te[woonplaats] (verzoeker)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. R.A.U. Juchter van Bergen Quast, advocaat, bij brief van 15 juli 2013 een verzoek om een voorlopige voorziening gedaan.
Met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is de behandeling van dit verzoek om een voorlopige voorziening op een zitting, achterwege gelaten.

OVERWEGINGEN

1.
Voor een overzicht van de voor de beoordeling van het verzoek van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de voorzieningenrechter naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.
2.
Bij besluit van 28 november 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv na bezwaar het besluit van 5 november 2012 gehandhaafd waarbij verzoeker is meegedeeld dat zijn uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) met ingang van 5 november 2012 wordt beëindigd, omdat hij vanaf die datum geschikt wordt geacht voor het verrichten van zijn arbeid en dat hij vanaf de datum ziekmelding op 9 augustus 2012 niet toegenomen arbeidsongeschikt is dan wel doorlopend arbeidsgeschikt is.
3.
Bij de aangevallen uitspraak van 3 juli 2013, 13/277, heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de rechtbank geen aanleiding heeft gezien om het medische onderzoek van de verzekeringsartsen onzorgvuldig te achten. De rechtbank zag evenmin aanknopingspunten om het (medisch) oordeel van de verzekeringsartsen onjuist te achten. Volgens de rechtbank heeft de bezwaarverzekeringsarts in het rapport van 12 februari 2013 bovendien afdoende gereageerd op de door verzoeker in beroep overgelegde medische stukken.
4.
In hoger beroep heeft verzoeker zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. In zijn verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft hij verzocht om de voorlopige voorziening te treffen inhoudende dat het besluit van 28 november 2012 wordt vernietigd en te bepalen dat Saidi per 2010 doorlopend arbeidsongeschikt bevonden moet worden en dus per datum ziekmelding arbeidsongeschikt moet worden geacht; subsidiair een voorlopige voorziening te treffen zoals de voorzieningenrechter in goede justitie behoort te treffen.
5.
De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
5.1.
Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
5.2.
Namens verzoeker is aangevoerd dat het spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening is gelegen in het feit dat verzoeker wordt gedwongen om aan het werk te gaan, terwijl hij daartoe vanwege zijn arbeidsongeschiktheid niet in staat is, en er stopzetting dreigt van zijn uitkering als hij daaraan geen gevolg geeft.
5.3.
De beantwoording van de vraag of sprake is van onverwijlde spoed spitst zich in het onderhavige geval in het bijzonder toe op de vraag of sprake is van een spoedeisend belang in financieel opzicht.
5.4.
Verzoeker is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de door hem verzochte voorlopige voorziening. Van bijzondere betekenis hierbij is dat van de zijde van verzoeker in het geheel geen stukken in het geding zijn gebracht welke kunnen dienen ter onderbouwing van zijn stelling met betrekking tot zijn financiële noodsituatie.
5.5.
Ook op andere wijze is niet gebleken van een voor verzoeker zo zwaarwegend belang dat de behandeling van de bodemprocedure niet door hem zou kunnen worden afgewacht. Het verzoek om een voorlopige voorziening dient dan ook te worden afgewezen.
6.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van P. Boer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 oktober 2013.
(getekend) Ch. van Voorst
(getekend) P. Boer

HD