Uitspraak
10 februari 2012, 11/4517 (aangevallen uitspraak)
OVERWEGINGEN
BESLISSING
’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over het begrip kring van verzekerden.
Centrale Raad van Beroep
Appellant verzocht in november 2010 om een ouderdomspensioen krachtens de Algemene Ouderdomswet (AOW). Hij stelde dat hij van 1971 tot eind 1973 in Nederland had gewerkt en gewoond, en overlegde een openbaar vervoersabonnement ter ondersteuning.
De Sociale Verzekeringsbank (Svb) onderzocht het verzoek en vroeg aanvullende informatie op bij de gemeente Amsterdam, het pensioenfonds en de Rijksinspectie van de Bevolkingsregisters. Deze instanties konden geen bewijs leveren van het verblijf of de arbeidsrelatie van appellant in Nederland in de betreffende periode. Appellant leverde zelf geen aanvullende bewijsstukken aan.
De Svb weigerde daarom het AOW-pensioen toe te kennen en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank Amsterdam bevestigde deze beslissing, waarbij werd benadrukt dat het verkrijgen van een sofinummer in 2011 niet bewijst dat appellant in de periode 1971-1973 in Nederland woonde of werkte.
In hoger beroep stelde appellant opnieuw dat hij in die jaren in Nederland werkzaam was geweest, maar slaagde er niet in dit aannemelijk te maken. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat niet is komen vast te staan dat appellant ingezetene was of loonbelastingplichtig was in Nederland in die periode. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en de weigering tot toekenning van het AOW-pensioen gehandhaafd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van het AOW-pensioen wegens ontbreken van bewijs van verzekering en verblijf in Nederland.