ECLI:NL:CRVB:2013:2052
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning leenbijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid
Appellant ontving bijstand op grond van de WWB en verkocht zijn woning in 2009, waarbij hij de hypotheek aflost. Het college beëindigde de bijstand omdat het vermogen boven de vrij te laten grens lag. Later werd bijstand in de vorm van een geldlening toegekend wegens onverantwoorde intering op het vermogen.
Het college stelde vast dat appellant te snel op zijn vermogen had ingeteerd en daardoor een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid toonde. Dit leidde tot een leenbijstand voor dertien maanden. Appellant voerde aan niet goed geïnformeerd te zijn over de regels en overhandigde in hoger beroep een nota waaruit bleek dat hij meer vermogen had dan eerder aangenomen.
De Raad oordeelde dat appellant deze nota eerder had kunnen overleggen en dat het college daarom geen rekening kon houden met dit bewijs. De rechtbank had de bezwaren van appellant terecht afgewezen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de toekenning van leenbijstand wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid bevestigd.