Appellante is uitgevallen voor haar werk als leerkracht vanwege hoofdpijn en duizeligheid. Het UWV stelde een loongerelateerde WGA-uitkering vast op basis van een arbeidsongeschiktheidspercentage van circa 37%, ingedeeld in de klasse 35 tot 80%. Na bezwaar en beroep wijzigde de arbeidsongeschiktheid naar 48%, maar bleef de klasse ongewijzigd.
De rechtbank vernietigde het bezwaarbesluit van het UWV, maar liet de rechtsgevolgen daarvan in stand. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar beperkingen, zoals een urenbeperking en noodzaak tot recupereren, onvoldoende waren meegenomen. De Raad oordeelde dat deze standpunten onvoldoende met medische gegevens waren onderbouwd en dat het UWV terecht was uitgegaan van de beperkingen zoals vastgesteld in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
De bezwaararbeidsdeskundige achtte de functie schilder/behanger niet passend vanwege het werken op hoogte, maar vond andere functies wel passend. De Raad concludeerde dat de vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 80% gehandhaafd kon blijven en wees het hoger beroep af. Tevens werd het verzoek om schadevergoeding afgewezen en werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.