Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:1771

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 september 2013
Publicatiedatum
13 september 2013
Zaaknummer
12-2450 AOW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 438 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging dat Svb en bestuursrechter niet bevoegd zijn beslag op AOW-uitkering te toetsen

Appellant ontving een AOW-uitkering waarop beslag was gelegd door een gerechtsdeurwaarder namens schuldeisers, met een aangegeven beslagvrije voet. De Sociale verzekeringsbank (Svb) hield daarom een bedrag in op de uitkering. Appellant maakte bezwaar tegen deze inhouding, stellende dat het beslag onnodig was omdat hij binnenkort zijn schulden zou voldoen.

De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, stellende dat de beoordeling van de geldigheid van het beslag exclusief aan de civiele rechter toekomt en dat de Svb en bestuursrechter slechts binnen de grenzen van het beslag mogen handelen. De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel in hoger beroep.

De Raad benadrukte dat de Svb bij het nemen van de betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven en dat het feit dat appellant binnenkort zijn schulden kan voldoen, niet relevant is voor de beoordeling van de beslaglegging. De inhouding op de AOW-uitkering werd per 1 juni 2011 beëindigd vanwege een wijziging van de beslagvrije voet.

Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank Zutphen bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de inhouding op de AOW-uitkering is rechtmatig.

Uitspraak

12/2450 AOW
Datum uitspraak: 13 september 2013
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 18 april 2012, 11/310 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2013, waar appellant is verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M. Aalders.

OVERWEGINGEN

1.1. De Svb heeft aan appellant een ouderdomspensioen ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) toegekend. Op 17 december 2010 heeft GGN Tijhuis & Partners, Gerechtsdeurwaarders en Incassospecialisten aan de Svb een beslagexploit betekend waarin is aangegeven dat executoriaal beslag wordt gelegd uit kracht van vonnissen van de rechtbank Zutphen van 26 januari 2004 en 28 mei 2009 en uit kracht van een door de gemeente Winterswijk uitgevaardigd dwangbevel van 21 augustus 2006 ten laste van appellant. Daarbij is te kennen gegeven dat de beslagvrije voet € 931,17 per maand bedraagt.
1.2. Bij besluit van 24 december 2010 heeft de Svb aan appellant meegedeeld dat, gelet op het beslag door GGN Tijhuis & Partners, Gerechtsdeurwaarders en Incassospecialisten, met ingang van 1 januari 2011 er een bedrag van € 23,05 per maand wordt ingehouden op zijn ouderdomspensioen.
1.3. Bij besluit van 20 januari 2011 (bestreden besluit) heeft de Svb het door appellant tegen het besluit van 24 december 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat volgens vaste rechtspraak van de Raad appellant bezwaren betreffende een gelegd beslag ingevolge artikel 438 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan voorleggen aan de civiele rechter en dat de Svb gehouden is volledige medewerking aan het beslag te geven zonder de geldigheid en de omvang daarvan te mogen beoordelen. Ook de bestuursrechter dient bij de beoordeling van een betalingsbeslissing ter uitvoering van een gelegd beslag de geldigheid van dat beslag als een gegeven te beschouwen. Zijn toetsing kan niet verder strekken dan de beantwoording van de vraag of het bestuursorgaan bij het nemen van zijn betalingsbeslissing is gebleven binnen het kader van het beslag. De rechtbank is van oordeel dat de Svb binnen de grenzen van het beslag is gebleven.
3.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat het beslag op zijn ouderdomspensioen niet nodig is, omdat de nog openstaande schulden binnenkort kunnen worden voldaan.
4.
De Raad overweegt als volgt.
4.1.
Allereerst wordt opgemerkt dat de Svb per 1 juni 2011 geen gelden meer inhoudt op het ouderdomspensioen van appellant in verband met een wijziging van de beslagvrije voet. Met betrekking tot de inhouding per 1 januari 2011 wordt geoordeeld dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat de Svb en de bestuursrechter niet bevoegd zijn om de geldigheid van het beslag te beoordelen. Dat oordeel is voorbehouden aan de burgerlijke rechter en de bestuursrechter komt hieraan niet toe. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de Svb bij het nemen van de betalingsbeslissing binnen het kader van het beslag is gebleven. Niet van belang is dat appellant binnenkort de nog openstaande schulden kan voldoen.
4.2.
Uit het voorgaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 september 2013.
(getekend) E.E.V. Lenos
(getekend) E. Heemsbergen

EH