ECLI:NL:CRVB:2013:1667

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 september 2013
Publicatiedatum
5 september 2013
Zaaknummer
12-5097 MPW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering militair invaliditeitspensioen wegens onvoldoende mate van invaliditeit

Appellant, een dienstplichtig militair, liep tijdens een training in Noorwegen in 2002 een voetletsel op. In 2008 verzocht hij om een militair invaliditeitspensioen. De minister van Defensie weigerde dit omdat de mate van invaliditeit volgens medisch advies minder dan 10% bedroeg, met toepassing van WPC-nummer 0254, wat een invaliditeit van 3% vertegenwoordigt.

Appellant voerde aan dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan WPC-nummer 0253, dat een invaliditeit van 10% zou rechtvaardigen, en verwees naar een rapport van een orthopedisch chirurg. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de WPC-schaal slechts een richtlijn is en dat de minister vergelijkenderwijs codes mag toepassen. Uit het medisch onderzoek bleek dat de voet goed beweeglijk was, zonder ankylose, die volledige onbeweeglijkheid betekent.

De Raad zag geen reden om aan het standpunt van de minister te twijfelen en bevestigde het besluit tot weigering van het invaliditeitspensioen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van het invaliditeitspensioen omdat de mate van invaliditeit minder dan 10% bedraagt.

Uitspraak

12/5097 MPW
Datum uitspraak: 5 september 2013
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 25 juli 2012, AWB 11/9843 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Minister van Defensie (minister)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. W.B. Knook hoger beroep ingesteld
De minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juli 2013. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door mr. Knook. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door
H.A.L. Knoben.

OVERWEGINGEN

1.
Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant is als dienstplichtig militair op 16 januari 2002 gevallen tijdens de training koud-weer in Noorwegen. Daarbij heeft hij letsel opgelopen aan zijn rechtervoet. In januari 2008 heeft appellant verzocht om toekenning van een militair invaliditeitspensioen.
1.2.
Bij besluit 13 juni 2008, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het besluit van
25 november 2011, heeft de minister geweigerd appellant in aanmerking te brengen voor een invaliditeitspensioen omdat de mate van invaliditeit minder dan 10 % bedraagt. Blijkens de daaraan ten grondslag liggende medische advisering is bij appellant sprake van een doorgemaakte fractuur van het sesambotje rechts bij een peesontsteking van de rechter grote teen buiger, waarvoor een oorzakelijk dienstverband aanwezig is. Verweerder heeft vergelijkenderwijs WPC-nummer 0254 (ankylose van de grote teen in gunstige stand) van toepassing verklaard, dat een mate van invaliditeit vertegenwoordigt van 3 %.
2.
De rechtbank heeft het door appellant tegen dit laatste besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3.
Appellant bestrijdt het door de minister ingenomen standpunt en stelt dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan WPC-nummer 0253 (ankylose van de voorvoet), hetgeen resulteert in een mate van invaliditeit van 10 %. Hij verwijst daartoe naar het in bezwaar ingebracht rapport van de orthopedisch chirurg D.B. van der Schaaf van 1 september 2011.
4.1.
Tussen partijen is niet in geschil dat het letsel aan de rechtervoet van appellant berust op een doorgemaakte fractuur van het sesambotje rechts bij een peesontsteking van de rechter grote teen buiger. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verweerder de mate van invaliditeit juist heeft vastgesteld door vergelijkenderwijs WPC-nummer 0254 van toepassing te achten.
4.2.
De Raad stelt voorop dat naar vaste rechtspraak (CRvB 22 mei 2008, LJN BD2760) de WPC-schaal slechts als richtlijn geldt en dat het de minister vrijstaat de betrokken codes ook vergelijkenderwijs van toepassing te achten. Evenals de rechtbank acht de Raad sprake van een zorgvuldig en gedegen onderzoek ten behoeve van de vaststelling van de mate van invaliditeit van appellant. Ook de Raad ziet geen aanleiding te twijfelen aan het door de minister ingenomen standpunt. Zowel uit het onderzoek van de medisch specialistisch adviseur dr. A.R. Koomen, arts, als uit het onderzoek van Van der Schaaf blijkt dat de rechter (voor)voet van appellant goed beweeglijk is. Zo stelt Van der Schaaf dat de voetwortelgewrichten goed zijn en symmetrisch beweeglijk en dat de rechter groter teen in vergelijking met links 5 graden in dorsiflexie is beperkt. Verder stelt hij vast dat appellant bij normaal lopen en tenenlopen de rechter grote teen iets ontziet. Dit alles rechtvaardigt de conclusie dat geen sprake is van ankylose van de voorvoet nu dat in de WPC wordt gedefinieerd als een volledige onbeweeglijkheid in het gewricht, of hooguit een zeer geringe beweeglijkheid van enkele graden. Voor het toepassen van WPC-nummer 0253 is dan ook terecht geen aanleiding gezien.
5.
Gezien hetgeen onder 4 is overwogen wordt de aangevallen uitspraak bevestigd.
6.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 september 2013.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) J.T.P. Pot

HD