ECLI:NL:CRVB:2013:1437

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 augustus 2013
Publicatiedatum
16 augustus 2013
Zaaknummer
12-4505 ANW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling recht op nabestaandenuitkering bij niet-verzekerde echtgenoot volgens ANW

Appellante was gehuwd met een echtgenoot die op 26 november 2010 in Marokko is overleden. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft bij besluit van 15 april 2011 vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een nabestaanden- en halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), omdat haar echtgenoot op het moment van overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Dit besluit bleef in stand na bezwaar.

De rechtbank oordeelde dat de echtgenoot niet verplicht verzekerd was voor de ANW omdat hij niet in Nederland woonde en niet aan de loonbelasting was onderworpen. Hoewel hij vrijwillig verzekerd was geweest, was deze verzekering geëindigd vanwege niet-betaalde premies over 2002. Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar echtgenoot de Svb had gemachtigd de premies via het UWV te verrekenen en dat hij mocht vertrouwen op zijn vrijwillige verzekering.

De Raad concludeerde dat de machtiging pas per 2003 tot verrekening leidde en dat de premies over 2002 niet volledig waren betaald. Uit betalingsherinneringen en jaaroverzichten bleek dat de verzekering was beëindigd. Ook uit een AOW-toekenningsbeslissing van 2007 bleek dat de vrijwillige verzekering per 1 januari 2002 was geëindigd. Er was geen contact geweest met de Svb om dit te corrigeren. Daarom was de echtgenoot ten tijde van overlijden niet verzekerd voor de ANW en kwam appellante niet in aanmerking voor een uitkering.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en wees een proceskostenvergoeding af.

Uitkomst: Appellante komt niet in aanmerking voor een nabestaandenuitkering omdat haar echtgenoot niet verzekerd was voor de ANW op het moment van overlijden.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
12/4505 ANW
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
25 juli 2012, 12/926 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats], Marokko (appellante)
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (Svb)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. C.A.J.M. Snijders, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Mr. M.M. Spooren heeft zich als opvolgend gemachtigde gesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2013. Appellante is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door
mr. P.C.A. Buskens.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was gehuwd met [echtgenoot]. Deze is op 26 november 2010 in Marokko overleden. Met een besluit 15 april 2011 heeft de Svb appellante laten weten dat zij niet in aanmerking komt voor een nabestaanden- en halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW), omdat [echtgenoot] op de datum van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW. Dit besluit is, bij beslissing op bezwaar van 28 december 2011 (bestreden besluit), in stand gebleven.
1.2. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat [echtgenoot] niet verplicht verzekerd was voor de ANW ten tijde van zijn overlijden. Hij was niet in Nederland woonachtig, noch aan de loonbelasting onderhevig. [echtgenoot] was wel enige jaren vrijwillig verzekerd geweest voor onder andere de ANW, maar doordat over het jaar 2002 de premie niet (volledig) is voldaan, is deze vrijwillige verzekering geëindigd. [echtgenoot] was dus op de dag van zijn overlijden niet verzekerd voor de ANW, zodat appellante geen recht heeft op een nabestaanden- en halfwezenuitkering.
2.
In hoger beroep benadrukt appellante opnieuw dat [echtgenoot] de Svb heeft gemachtigd de premies voor de vrijwillige verzekering ANW, via het Uwv, te verrekenen met zijn
WAO-uitkering en dat hij terecht in de veronderstelling mocht verkeren dat hij vrijwillig verzekerd was.
3.1.
De Raad kan appellante hier niet in volgen.
3.2.
Uit de stukken blijkt dat [echtgenoot] per 1 januari 2000 is toegelaten tot de vrijwillige verzekering voor de AOW en ANW. Omdat hij de premies over het jaar 2002 nog niet volledig had voldaan is hem verschillende malen de gelegenheid geboden deze premies alsnog te voldoen. Omdat betaling achterwege bleef, heeft de Svb [echtgenoot], bij brief van
28 augustus 2003, medegedeeld dat zijn bevoegdheid tot verdere deelname aan de vrijwillige verzekering is komen te vervallen en dat de premie die over het jaar 2002 reeds was voldaan zal worden teruggestort.
3.3.
Ook blijkt uit de stukken dat [echtgenoot] op 27 december 2002 de Svb heeft gemachtigd de premies voor de vrijwillige verzekering te (laten) verrekenen met zijn uitkering bij het Uwv. Hieruit kan echter niet de conclusie getrokken worden dat [echtgenoot], en appellante, erop mochten vertrouwen dat [echtgenoot] vrijwillig verzekerd was voor de ANW. Uit de machtiging blijkt dat de verrekening pas per 2003 mogelijk was. Uit de betalingsherinneringen die de Svb in 2003 aan [echtgenoot] heeft gestuurd kan geen andere conclusie getrokken worden dan dat de verrekening nog geen aanvang had genomen nu over het jaar 2002 de premie niet (volledig) was voldaan. Daarnaast had [echtgenoot] uit de jaaroverzichten van de WAO-uitkering kunnen opmaken dat er geen premie voor de volksverzekeringen werd ingehouden. Tot slot had [echtgenoot] nog uit de toekenningsbeslissing AOW van 30 juli 2007 kunnen opmaken dat hij vanaf 1 januari 2002 niet langer (vrijwillig) verzekerd was voor de AOW, en dus ook niet voor de ANW. Niet blijkt dat [echtgenoot] hierover op enig moment contact heeft opgenomen met de Svb.
3.4.
Uit het voorgaande blijkt dat [echtgenoot], ten tijde van zijn overlijden, niet (vrijwillig) verzekerd was voor de ANW. Appellante is derhalve geen nabestaande in de zin van de ANW en komt dus niet voor een nabestaanden- en halfwezenuitkering in aanmerking.
4.
Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat de aangevallen uitspraak bevestigd dient te worden.
5.
Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 augustus 2013.
(getekend) T.L. de Vries
(getekend) I.J. Penning
JvC