Uitspraak
- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Centrale Raad van Beroep
Appellante heeft kinderbijslag aangevraagd voor haar kinderen over de jaren 2002 tot en met 2005, maar de Sociale Verzekeringsbank (Svb) heeft dit geweigerd omdat het recht niet meer kon worden beoordeeld voor die periode. Het bezwaar hiertegen werd ongegrond verklaard en appellante heeft geen rechtsmiddelen tegen dit besluit aangewend.
Later verzocht appellante de Svb om een inhoudelijk besluit te nemen of terug te komen op het eerdere besluit. Dit verzoek werd eveneens afgewezen, waarna appellante hoger beroep instelde. De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden zijn die herziening van het besluit rechtvaardigen. Tevens wordt het verzoek om kinderbijslag afgewezen omdat het recht op kinderbijslag niet meer kon worden vastgesteld voor de gevraagde periode.
Daarnaast verzocht appellante om schadevergoeding en toepassing van de Wet dwangsom en het lex silencio positivo-beginsel. De Raad wijst deze verzoeken af, onder meer omdat er geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn en omdat lex silencio positivo niet van toepassing is op kinderbijslagaanvragen. De aangevallen uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de verzoeken om kinderbijslag en schadevergoeding worden afgewezen.