ECLI:NL:CRVB:2013:1294

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
6 augustus 2013
Publicatiedatum
6 augustus 2013
Zaaknummer
11-6820 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 WWBArt. 16 WWBArt. 2.9 Besluit zorgverzekeringArt. 2.33 Regeling zorgverzekering
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering bijzondere bijstand voor orthopedisch matras wegens voorliggende voorziening

Appellante vroeg bijzondere bijstand aan voor de aanschaf van een orthopedisch matras vanwege ernstige lichamelijke problemen. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af op grond van het bestaan van een voorliggende voorziening volgens artikel 15 van Pro de WWB.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de kosten medisch noodzakelijk zijn en niet door haar zorgverzekeraar worden vergoed, en dat het AWBZ-traject onvoldoende mogelijkheden biedt.

De Raad oordeelde dat de Zorgverzekeringswet en de bijbehorende regeling als voorliggende voorziening gelden en dat een bewuste keuze is gemaakt over de vergoeding van dergelijke kosten. Bijzondere bijstand kan daarom niet worden toegekend tenzij er zeer dringende redenen zijn, die in dit geval niet zijn aangetoond.

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.

Uitkomst: De afwijzing van bijzondere bijstand voor de aanschaf van een orthopedisch matras wordt bevestigd wegens het bestaan van een voorliggende voorziening en het ontbreken van zeer dringende redenen.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
11/6820 WWB
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
17 oktober 2011, 11/3293 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 juni 2013. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. Ahmed.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellante heeft op 29 maart 2011 bijzondere bijstand aangevraagd voor (onder meer) de aanschaf van een orthopedisch matras ten bedrage van € 500,-, omdat zij lijdt aan ernstige lichamelijke problemen. De aanvraag is bij besluit van het college van 18 april 2011 afgewezen.
1.2.
Bij besluit van 18 april 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 mei 2011 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat sprake is van een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB).
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3.
Appellante heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Zij stelt zich op het standpunt dat het hier om medisch noodzakelijke kosten gaat ten aanzien waarvan haar zorgverzekeraar aan haar heeft meegedeeld dat deze niet worden vergoed. Het feit dat de zorgverzekeraar de matras niet wil vergoeden, wil niet zeggen dat het niet noodzakelijk is. Ook het AWBZ-traject biedt appellante onvoldoende mogelijkheden.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
Op grond van artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB strekt het recht op bijstand zich niet uit tot de kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk zijn aangemerkt. Indien binnen de voorliggende voorziening een bewuste keuze is gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van deze kosten, kan het bijstandverlenend orgaan daarvoor in beginsel geen bijzondere bijstand toekennen.
4.2.
Volgens vaste rechtspraak (CRvB 13 april 2010, LJN BM2959) waren ten tijde in geding de Zorgverzekeringswet en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering voor de hier aan de orde zijnde kosten aan te merken als aan de WWB voorliggende, toereikende en passende voorzieningen. Hulpmiddelen in verband met medische klachten behoren, gelet op artikel 2.9 van het Besluit zorgverzekering tot het zorgpakket van de Zorgverzekeringwet. Op grond van artikel 2.33 van de Regeling zorgverzekering, zoals dit artikel luidde ten tijde hier van belang, bestaat slechts aanspraak op vergoeding van bedden in speciale uitvoering met inbegrip van daarvoor bestemde matrassen indien het gebruik daarvan strekt tot behoud van de zelfredzaamheid en met de verschaffing opneming in een instelling wordt voorkomen, dan wel indien de verzekerde is aangewezen op verpleging. Hiermee is een bewuste keuze gemaakt over de noodzaak van het vergoeden van de kosten van een matras, zodat (aanvullende) bijzondere bijstandsverlening niet aan de orde is. Gelet hierop, staat artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van de WWB aan toekenning van bijzondere bijstand in de gevraagde kosten in de weg.
4.3.
Artikel 16, eerste lid, van de WWB biedt de mogelijkheid om in afwijking van artikel 15, eerste lid, van de WWB in bedoelde kosten bijstand te verlenen indien, gelet op alle omstandigheden, zeer dringende redenen daartoe noodzaken. Daarvoor dient vast te staan dat sprake is van een acute noodsituatie en dat de behoeftige omstandigheden waarin de betrokkene verkeert op geen enkele andere wijze zijn te verhelpen zodat het verlenen van bijstand onvermijdelijk is. Een acute noodzaak is aan de orde als de situatie levensbedreigend is of blijvend ernstig psychisch of lichamelijk letsel of invaliditeit tot gevolg kan hebben. Wat appellante heeft aangevoerd, is geen zeer dringende reden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, van de WWB. Daarin is evenmin grond gelegen om, zoals appellante heeft bepleit, het begrip “dringende noodzakelijkheid” in haar geval anders uit te leggen dan volgt uit vaste jurisprudentie van de Raad.
4.4.
Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.C.R. Schut, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 6 augustus 2013.
(getekend) E.C.R. Schut
(getekend) M.R. Schuurman

HD