Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2013:1105

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
23 juli 2013
Publicatiedatum
23 juli 2013
Zaaknummer
11-7472 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 15 WWBWet studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering bijstand wegens ontvangen studiefinanciering

Appellant ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met onderbrekingen sinds 2004. Uit onderzoek bleek dat appellant gedurende de periode van 1 september 2006 tot en met mei 2008 studiefinanciering ontving, waarvan een deel ten onrechte was toegekend en moet worden terugbetaald.

Het college van burgemeester en wethouders van Utrecht trok de bijstand over deze periode in en vorderde de onterecht ontvangen bijstand terug. Appellant maakte bezwaar, stellende dat het feit dat hij studiefinanciering moest terugbetalen niet betekent dat er sprake was van een passende en toereikende voorliggende voorziening.

De Raad oordeelde dat de Wet studiefinanciering 2000 als een passende en toereikende voorliggende voorziening geldt. Omdat appellant feitelijk studiefinanciering ontving, beschikte hij over voldoende middelen om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien en had hij geen recht op bijstand. Het feit dat de studiefinanciering onterecht was en terugbetaald moet worden, doet hieraan niet af. Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens feitelijk ontvangen studiefinanciering.

Uitspraak

Centrale Raad van Beroep
11/7472 WWB
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 11 november 2011, 10/3733 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op de zitting van 11 juni 2013, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1.
Appellant ontving vanaf 2 augustus 2004 met onderbrekingen bijstand, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2.
In het kader van een onderzoek naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand heeft een sociaal rechercheur van de gemeente Utrecht gegevens opgevraagd bij de Informatie Beheer Groep (IBG). Uit de door de IBG verstrekte informatie blijkt dat appellant van 1 september 2006 tot en met augustus 2007 recht heeft gehad op studiefinanciering en dat die studiefinanciering aan appellant is betaald. Voorts heeft appellant van 1 september 2007 tot en met mei 2008 studiefinanciering ontvangen, hoewel hij niet meer stond ingeschreven bij de opleiding die recht gaf op deze studiefinanciering. De studiefinanciering over deze periode dient appellant aan de IBG terug te betalen.
1.3.
Bij besluit van 4 mei 2010 heeft het college, voor zover hier van belang, de bijstand van appellant over de periode van 1 september 2006 tot en met 31 mei 2008 ingetrokken in verband met ontvangen studiefinanciering. Het college heeft de ten onrechte ontvangen bijstand over deze periode van appellant teruggevorderd.
1.4.
Bij besluit van 23 september 2010 heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2010 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het college, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat de door appellant ontvangen studiefinanciering wordt aangemerkt als een passende en toereikende voorliggende voorziening in de zin van artikel 15 van Pro de WWB. Nu appellant niet heeft gemeld dat hij studiefinanciering ontving, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden.
2.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het nog van belang zijnde deel van bestreden besluit niet gegrond verklaard.
3.
Appellant heeft zich in hoger beroep tegen deze uitspraak gekeerd. Hij heeft aangevoerd dat de vraag of iemand gedurende een bepaalde periode feitelijk over middelen beschikte om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien niet relevant is voor de vraag of er gedurende deze periode al dan niet sprake was van een toereikende en passende voorliggende voorziening. Daarbij is van belang dat ten tijde van het besluit van 4 mei 2010 al vaststond dat appellant over de periode 1 september 2007 tot en met mei 2008 ten onrechte studiefinanciering heeft ontvangen en deze studiefinanciering moet terugbetalen. Daarom kan geen sprake zijn geweest van een voorliggende voorziening.
4.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1.
In geschil is of het college de bijstand van appellant over de periode van 1 september 2007 tot en met 31 mei 2008 (te beoordelen periode) heeft mogen intrekken en de kosten van ten onrechte verleende bijstand heeft mogen terugvorderen.
4.2.
Ingevolge artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de WWB bestaat geen recht op bijstand voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor de belanghebbende toereikend en passend te zijn.
4.3.
Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (CRvB 4 november 2008, LJN BG3772), is de Wet studiefinanciering 2000 (WSF 2000) aan te merken als een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor een betrokkene toereikend en passend te zijn. Aangezien appellant gedurende de hier te beoordelen periode feitelijk studiefinanciering op grond van de WSF 2000 ontving, beschikte hij als aanvrager daarvan over voldoende middelen van bestaan.
4.4.
De omstandigheid dat appellant over de te beoordelen periode ten onrechte studiefinanciering heeft ontvangen en dit bedrag moet terugbetalen doet niet aan af aan het feit dat appellant gedurende de te beoordelen periode feitelijk over voldoende middelen beschikte om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien. Daarom had hij in de te beoordelen periode geen recht op bijstand. Vergelijk de uitspraken van de Raad van 29 juni 2010, LJN BN0595 en 28 oktober 2008, LJN BG1808.
4.5.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2013.
(getekend) O.L.H.W.I. Korte
(getekend) T.A. Meijering

EH