ECLI:NL:CRVB:2012:BY6387

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-771 WSF-PV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:11 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar studiefinanciering wegens termijnoverschrijding

Appellante had bezwaar gemaakt tegen een besluit van de Minister van Onderwijs over studiefinanciering, maar dit bezwaar was te laat ingediend. De rechtbank had het beroep van appellante ongegrond verklaard omdat zij niet aannemelijk had gemaakt dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was.

In hoger beroep voerde appellante aan dat zij in 2009 een aanvraag studiefinanciering had ingediend, waarover zij niets had vernomen, en dat zij daarom niet in verzuim was. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante niet had bewezen dat zij een eerdere aanvraag had gedaan die relevant was voor de studiefinanciering in 2009.

Verder was het appellante niet direct opgevallen dat de studiefinanciering pas vanaf 2010 was toegekend, maar dit was een omstandigheid die voor haar eigen rekening en risico bleef. Het besluit van 9 april 2010 was duidelijk over de ingangsdatum en sloot aan bij de aanvraag van 31 maart 2010.

De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het bezwaar is niet-ontvankelijk wegens overschrijding van de bezwaartermijn zonder verschoonbare reden.

Uitspraak

12/771 WSF-PV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 28 december 2011, 10/1060 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B. ] (appellante)
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)
Datum uitspraak: 30 november 2012
Zitting heeft: T. Hoogenboom
Griffier: J.R. Baas
Appellante is niet verschenen. Voor de Minister is verschenen drs. P.M.S. Slagter.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze beslissing is uitgesproken in het openbaar. Zij is gebaseerd op de volgende overwegingen:
1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank ongegrond verklaard het beroep van appellante tegen het besluit van de Minister van 18 februari 2011. Bij dit besluit is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 9 april 2010 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaar is ingediend na afloop van de bezwaartermijn, terwijl niet gebleken is verschoonbaarheid van die termijnoverschrijding.
2. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak beslist op de gronden van het beroep.
3. De gronden van het hoger beroep zijn in de kern gelijk aan die welke in eerste aanleg zijn aangevoerd.
4. Appellante doet in het bijzonder een beroep op artikel 6:11van de Algemene wet bestuursrecht, ingevolge welke bepaling ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Appellante heeft als verklaring voor het overschrijden van de bezwaartermijn aangevoerd dat zij in 2009 een aanvrage studiefinanciering heeft ingediend, maar daarover nooit iets heeft gehoord of ontvangen van de Minister. Er is volgens appellante nooit een besluit genomen op haar aanvraag uit 2009. Op 31 maart 2010 heeft appellante nogmaals een aanvraag voor studiefinanciering ingediend, waarop de Minister vanaf april 2010 en niet vanaf april 2009 studiefinanciering heeft toegekend.
5. Terecht heeft de rechtbank in deze reden geen grond gezien voor het oordeel dat appellante redelijkerwijs niet in verzuim is geweest. De desbetreffende beroepsgrond van appellante zien niet op feiten of omstandigheden waardoor appellante te laat bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit van 9 april 2010. Appellante heeft op geen enkele manier aannemelijk gemaakt dat zij een eerdere aanvraag heeft gedaan die betrekking zou kunnen hebben op studiefinanciering in 2009. Dat het appellante niet direct was opgevallen dat zij vanaf 2010 in plaats van 2009 studiefinanciering kreeg toegekend, zoals zij in bezwaar heeft gesteld, is een omstandigheid die voor rekening en risico van appellante dient te blijven. Het besluit van 9 april 2010 is volstrekt helder over de ingangsdatum van de toekenning van studiefinanciering. Het besluit is conform de gegevens in de aanvraag van appellante van 31 maart 2010. In die aanvraag komt geen verwijzing naar een eerdere aanvraag voor.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Waarvan proces-verbaal.
De griffier De voorzitter
(getekend) J.R. Baas (getekend) T. Hoogenboom