ECLI:NL:CRVB:2012:BY6056
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging buitenlandbijdrage en woonlandfactor in zorgverzekeringswet voor in Duitsland wonende Nederlander
Appellant, woonachtig in Duitsland, ontving een Nederlandse AOW-uitkering en pensioen en werd door het College voor zorgverzekeringen (Cvz) een buitenlandbijdrage opgelegd in het kader van de Zorgverzekeringswet (Zvw). Deze bijdrage is gerelateerd aan de gemiddelde zorgkosten in het woonland en wordt vastgesteld met toepassing van de woonlandfactor.
Appellant stelde dat hij alleen een bijdrage verschuldigd is indien hij ook gebruik kan maken van AWBZ-zorg in zijn woonland, en betwistte dat de woonlandfactor het verschil in zorgniveau tussen Duitsland en Nederland dekt. Tevens voerde hij aan dat de termijn voor vaststelling van de bijdrage was overschreden, wat gevolgen zou moeten hebben.
De Raad oordeelde dat de buitenlandbijdrage geen premie is maar een wettelijk geregelde sociale bijdrage voor Nederlandse zorgkosten, en dat appellant in Duitsland recht heeft op zorg volgens het woonlandpakket conform Verordening 1408/71. De woonlandfactor houdt rekening met verschillen in zorgvoorzieningen tussen Duitsland en Nederland, en er is geen sprake van discriminatie of willekeur. De termijnoverschrijding door Cvz leidt niet tot vernietiging van de besluiten, mede omdat appellant tijdig op de hoogte was gesteld en geen nadeel heeft geleden.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraken van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen besluiten worden bevestigd.