Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2012:BY6009

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
13 december 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/1702 MAW + 11/2251 MAW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing sollicitatie en beoordeling geschiktheid stafonderofficier bij defensie

Appellant solliciteerde op 23 april 2009 naar de functie van stafonderofficier Opleiding en Trainingsontwikkeling binnen de defensieorganisatie. Aanvankelijk werd besloten dat appellant niet beschikbaar was voor het functietoewijzingsproces, net als de andere kandidaat. Na bezwaar werd de vacature opnieuw opengesteld en werden beiden uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek.

De commandant besloot op 27 oktober 2009 de functie niet aan appellant toe te wijzen, een besluit dat na bezwaar op 26 april 2010 werd gehandhaafd. Appellant voerde aan dat hij als enige beschikbare kandidaat een voorkeursrecht had en dat de functie hem zonder meer had moeten worden toegewezen. De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen het eerste besluit gegrond maar handhaafde het tweede besluit.

In hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat de commandant een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het selecteren van de meest geschikte kandidaat. Het feit dat appellant bezwaar had gemaakt en de andere kandidaat niet, geeft geen recht op voorkeursbehandeling. De selectiecommissie heeft op transparante wijze de geschiktheid van de kandidaten beoordeeld en de commandant heeft terecht de meest geschikte kandidaat gekozen. Het hoger beroep wordt afgewezen en de verzoeken tot schadevergoeding en proceskosten worden niet toegewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beslissing van de commandant om de functie aan de meest geschikte kandidaat toe te wijzen blijft in stand.

Uitspraak

11/1702 MAW, 11/2251 MAW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 2 februari 2011, 09/9072 en 10/4182 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Commandant Landstrijdkrachten (commandant)
Datum uitspraak 13 december 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft L.C. van der Hulst hoger beroep ingesteld.
De commandant heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2012. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. P.M. Groenhart. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. T.A. Groenewoud-Kralt.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft op 23 april 2009 gesolliciteerd naar de functie van stafonderofficier Opleiding en Trainingsontwikkeling bij de Lichamelijke oefening en sportorganisatie (geambieerde functie). Op 14 mei 2009 is besloten dat appellant niet beschikbaar is voor het functietoewijzingsproces. De sollicitatie van de andere kandidaat is op dezelfde grond afgewezen.
1.2. Appellant heeft tegen dat besluit bezwaar gemaakt. Hij heeft aangevoerd dat hij wel degelijk beschikbaar was en dat de geambieerde functie aan hem had moeten worden toegewezen. Naar aanleiding daarvan is de geambieerde functie teruggetrokken uit de vacaturebank en zijn zowel appellant als de andere sollicitant alsnog uitgenodigd voor een sollicitatiegesprek. Bij besluit van 16 oktober 2009 (bestreden besluit 1) heeft de commandant het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat aan dat bezwaar volledig is tegemoet gekomen.
1.3. Op 27 oktober 2009 is besloten de geambieerde functie niet aan appellant toe te wijzen. Na gemaakt bezwaar is dat besluit gehandhaafd bij besluit van 26 april 2010 (bestreden besluit 2). Daaraan ligt kort gezegd ten grondslag dat de omstandigheid dat de andere kandidaat geen bezwaar heeft gemaakt tegen de eerdere afwijzing onverlet laat dat de commandant terug kan komen op een besluit indien dat rechtens onjuist blijkt te zijn. Dat appellant alsnog beschikbaar is voor de functie betekent nog niet dat hij geschikt is voor de functie. Uit de sollicitatiegesprekken volgt dat appellant niet de meeste geschikte kandidaat is voor de geambieerde functie.
2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van dat besluit in stand blijven. De rechtbank heeft het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaard.
3.1. Appellant heeft zich in hoger beroep gekeerd tegen de aangevallen uitspraak, voor zover daarbij de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 in stand zijn gelaten en het beroep tegen bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. Nu de andere kandidaat geen bezwaar heeft gemaakt tegen de eerste afwijzing, heeft deze volgens appellant ten onrechte alsnog mogen solliciteren en had de geambieerde functie aan appellant moeten worden toegewezen. Appellant had als enig overgebleven beschikbare en geschikte kandidaat een absoluut voorkeursrecht moeten krijgen, waarbij er geen ruimte meer was om de geschiktheid van de andere kandidaat tijdens een sollicitatiegesprek te beoordelen.
3.2. De commandant heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De rechtbank heeft terecht vooropgesteld dat de beslissing van een bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure het resultaat is van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen, waarbij het bestuursorgaan een grote beoordelingsvrijheid toekomt. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend. Deze toetsing is beperkt tot de vraag of gezegd moet worden dat het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen.
4.2. Met inachtneming hiervan kan niet gezegd worden dat de commandant onjuist heeft gehandeld door beide kandidaten alsnog uit te nodigen voor een sollicitatiegesprek, nadat was gebleken dat zij ten onrechte niet beschikbaar waren geacht voor het proces van functietoewijzing. Aan het feit dat hij wel en de andere kandidaat geen bezwaar had gemaakt tegen de eerste afwijzing, kan appellant geen aanspraak op een voorkeursbehandeling ontlenen in die zin dat de functie hem zonder meer behoorde te worden toegewezen. Daar komt bij dat voor functietoewijzing naast beschikbaarheid ook geschiktheid vereist is. Hieruit volgt dat het hoger beroep tegen het in standlaten van de rechtsgevolgen van bestreden besluit 1 niet slaagt.
4.3. Met het voorgaande is gegeven dat het de commandant vrijstond om zich alsnog een oordeel te vormen over de vraag welke van de twee - in beginsel geschikte - kandidaten het meest geschikt is voor de geambieerde functie. In dit verband heeft appellant terecht erop gewezen dat in de aangevallen uitspraak bij vergissing is vermeld dat appellant niet geschikt is voor die functie. Op basis van de bevindingen van de selectiecommissie heeft de commandant de conclusie kunnen trekken dat de geselecteerde kandidaat de meest geschikte kandidaat was. De verslagen van de gesprekken bieden voldoende inzicht in de aspecten waarop de selectiecommissie de kandidaten heeft beoordeeld en in de redenen voor de gemaakte keuze.
4.4. Ook overigens biedt hetgeen appellant heeft aangevoerd geen grond om te oordelen dat het bestreden besluit 2 de terughoudende toetsing niet kan doorstaan. Dat betekent dat het hoger beroep ook in zoverre niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
4.5. Gelet op dit oordeel is er geen ruimte voor de door appellant gevraagde veroordeling van de commandant tot vergoeding van schade.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
-bevestigt de aangevallen uitspraak;
-wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van R. Scheffer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 13 december 2012.
(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans
(getekend) R. Scheffer
JL