ECLI:NL:CRVB:2012:BY5554
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij herroeping bijstandsbesluit
Appellant heeft bijstand ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). In 2006 werden besluiten genomen tot opschorting en intrekking van de bijstand, die later door de Raad van 2009 werden herroepen. Het college heeft in 2007 een besluit genomen tot bijstandsverlening vanaf 4 april 2007, waarbij eerdere perioden werden afgewezen. Na nader onderzoek wijzigde het college dit besluit in 2009, waarbij ook bijstand werd toegekend over de periode van 31 juli 2006 tot 4 april 2007.
Appellant verzocht het college om herroeping van de besluiten uit 2006 en het besluit uit 2007, omdat hij meende dat bijstand niet met terugwerkende kracht kan worden verleend en dat het besluit uit 2007 onjuist was. Het college oordeelde het bezwaar tegen het niet herroepen van het besluit uit 2007 niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit eveneens ongegrond en niet-ontvankelijk.
In hoger beroep stelt appellant dat het besluit uit 2007 nog steeds in de administratie van het college aanwezig is en dat dit leidt tot reputatieschade en onjuiste weergave van zijn uitkeringsverleden, wat nadelige gevolgen kan hebben voor het verkrijgen van langdurigheidstoeslagen. De Raad overweegt dat door de herroeping van de besluiten uit 2006 de bijstandsverlening ononderbroken is voortgezet vanaf 31 juli 2006 en dat het besluit uit 2007 rechtens niet meer relevant is.
De Raad concludeert dat appellant geen voldoende procesbelang heeft bij het hoger beroep, omdat het besluit uit 2007 geen rechtsgevolg meer heeft en het college de juiste voorstelling van zaken in de administratie zal opnemen. Daarom verklaart de Centrale Raad van Beroep het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een voldoende procesbelang.