ECLI:NL:CRVB:2012:BY2262

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
1 november 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
12-1538 WUBO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 Wubo
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek WUBO-besluit wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant heeft in 1999 een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag werd afgewezen omdat niet was gebleken dat appellant was getroffen door oorlogsgeweld zoals bedoeld in de Wubo. In 2011 werd namens appellant een verzoek tot herziening van dit besluit ingediend, dat eveneens werd afgewezen omdat geen nieuwe feiten of gegevens waren aangevoerd.

De Centrale Raad van Beroep toetst het bestreden besluit terughoudend vanwege de discretionaire bevoegdheid van verweerder om besluiten te herzien. De Raad concludeert dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven het eerdere besluit te herzien. De stelling dat het verblijf in een weeshuis onder de werking van de Wubo valt, wordt niet gevolgd omdat geen sprake is van vrijheidsberoving. Ook de vermeende internering in Malang is niet objectief bevestigd.

De Raad verklaart het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra op 1 november 2012.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en het herzieningsverzoek afgewezen wegens ontbreken van nieuwe relevante feiten.

Uitspraak

12/1538 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak in het geding tussen
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
Pensioen- en Uikeringsraad (verweerder)
Datum uitspraak: 1 november 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant is beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 maart 2012, kenmerk BZ01395121 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2012. Daar is appellant verschenen, bijgestaan door [R.], broer van appellant. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.
OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant is geboren in [geboortejaar ] in het voormalige Nederlands-Indië. In juni 1999 heeft hij bij verweerder een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor onder meer een periodieke uitkering. Bij besluit van 31 oktober 2000, na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 mei 2001, heeft verweerder deze aanvraag afgewezen op de grond dat niet is gebleken dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld als bedoeld in de Wubo. Daartoe is onder meer overwogen - kort samengevat - dat van een internering in Malang niet is gebleken en het verblijf in het weeshuis [D.] niet onder de werking van de Wubo kan worden gebracht. Het tegen het besluit van 16 mei 2001 ingediende beroep is ingetrokken.
1.2. In mei 2011 is namens appellant verzocht de onder 1.1 genoemde besluiten te herzien. Dat verzoek heeft verweerder afgewezen bij besluit van 31 oktober 2011 en na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit op de grond dat appellant geen relevante nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die aanleiding geven de eerdere besluiten te herzien. Daarbij is overwogen dat de overgelegde stukken, waaronder de getuigenverklaringen van[namen getuigen] al bij een eerdere aanvraag waren ingebracht en dat het herbestuderen van deze stukken geen aanleiding heeft gegeven het eerdere standpunt te herzien.
2. De Raad overweegt als volgt.
2.1. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door een belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts terughoudend toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die verweerder bij de besluitvorming over de eerdere aanvragen niet bekend waren en waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.
2.2. Ook de Raad is van zulke nieuwe feiten of omstandigheden niet gebleken. De weigering van verweerder om het verblijf in [D.] onder de werking van de Wubo te brengen staat voor appellant centraal, maar de gedingstukken en het ter zitting gehouden betoog geven geen aanleiding om het eerder ingenomen standpunt van verweerder alsnog voor onjuist te houden. De omstandigheid dat de moeder van appellant zich genoodzaakt zag om appellant (en zijn broer) onder te brengen in [D.] kan het voorgaande niet anders maken, omdat ook daaruit niet blijkt dat het verblijf het gevolg was van vrijheidsberoving in de zin van de Wubo. Met betrekking tot de gestelde internering in Malang verwijst de Raad naar de tussen partijen gegeven uitspraak van 10 mei 2012 (10/528 WUV), waarin is geoordeeld dat van deze internering geen objectieve bevestiging is verkregen, ook niet uit de nader overgelegde verklaring van[naam getuige] omdat het een verklaring is van horen zeggen.
3. Het bestreden besluit houdt dus in rechte stand. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 november 2012.
(getekend) A. Beuker-Tilstra
(getekend) J.T.P. Pot