ECLI:NL:CRVB:2012:BY2257
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hernieuwde aanvraag erkenning burger-oorlogsslachtoffer en WUBO-uitkering
Appellante, geboren in voormalig Nederlands-Indië, heeft meerdere keren een aanvraag ingediend om erkend te worden als burger-oorlogsslachtoffer en in aanmerking te komen voor een uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvragen zijn steeds afgewezen omdat niet is gebleken dat zij oorlogsgeweld heeft ondergaan zoals bedoeld in de Wubo.
In de procedure heeft appellante aangevoerd dat zij werkzaamheden voor de Japanners moest verrichten in het Samaan-kamp en daar mogelijk drie dagen verbleef. De Raad stelt echter vast dat het Samaan-kamp niet voorkomt op de lijst van erkende interneringskampen en dat de omstandigheden niet overeenkomen met situaties die onder de Wubo vallen. Ook is niet aannemelijk dat zij te werk werd gesteld met het doel haar te treffen of te misbruiken vanuit bezettingsoogmerk.
De Raad benadrukt dat de verklaringen van haar familieleden reeds bij eerdere aanvragen bekend waren en dat appellante geen nieuwe relevante feiten heeft aangedragen die aanleiding geven tot herziening van de eerdere besluiten. Bovendien zijn haar broers en zusters erkend op grond van andere oorlogsgebeurtenissen, waaraan appellante geen rechten kan ontlenen.
Gelet op het voorgaande verklaart de Centrale Raad van Beroep het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard wegens ontbreken van nieuwe relevante feiten voor erkenning als burger-oorlogsslachtoffer.