ECLI:NL:CRVB:2012:BY2110
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.J. Govaers
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Vernietiging brutering terugvordering bijstand wegens onredelijk gebruik bevoegdheid
Appellante ontving bijstand volgens de Wet werk en bijstand (WWB) en kreeg in 2007 te veel bijstand door een latere herziening van de voorlopige teruggaaf van de inkomstenbelasting door de Belastingdienst. Het college vorderde dit bedrag terug en stelde een betalingsregeling vast waarbij inhoudingen op de bijstand plaatsvonden vanaf april 2008. Op 31 december 2008 was het volledige bedrag nog niet terugbetaald.
Het college besloot het restant van de vordering te bruteren, waardoor het bedrag dat appellante moest terugbetalen werd verhoogd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze brutering ongegrond. In hoger beroep oordeelde de Raad dat appellante geen verwijt treft voor het niet volledig terugbetalen op 31 december 2008, mede omdat het college pas in april 2008 met inhoudingen begon en appellante niet was gewezen op de gevolgen van niet-tijdige aflossing.
De Raad stelde dat het college niet in redelijkheid van de bevoegdheid tot brutering gebruik kon maken en vernietigde het besluit tot brutering. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierechten. Hiermee kwam een einde aan het geschil over de terugvordering van de bijstand.
Uitkomst: Het besluit tot brutering van de terugvordering van bijstand wordt vernietigd omdat het college niet in redelijkheid van deze bevoegdheid gebruik kon maken.