ECLI:NL:CRVB:2012:BY1399

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-3115 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.W. Schuttel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging geen recht op WIA-uitkering wegens voldoende belastbaarheid

Appellante was werkzaam in deeltijd als schoonmaakster en begeleidster verzorging, maar viel in november 2005 uit vanwege diverse klachten waaronder schouder-, rug-, astmatische en psychische klachten. Het UWV stelde bij besluit van 18 januari 2010 vast dat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was en verklaarde haar bezwaar tegen dit besluit bij besluit van 17 juni 2010 ongegrond.

De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond en onderschreef de medische en arbeidskundige onderbouwing van het UWV. In hoger beroep stelde appellante dat haar beperkingen werden onderschat en dat zij vanwege haar klachten niet voltijds kon werken, met name vanwege vermoeidheid en psychische klachten.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante geen nieuwe gronden had ingebracht die de eerdere conclusies konden weerleggen. Uit de medische gegevens bleek geen objectief-medisch aantoonbare ernstige problematiek die deelname aan het arbeidsproces op voltijdse basis in de weg stond. Ook de arbeidskundige beoordeling werd bevestigd, ondanks een onjuiste overweging over reductie van het uurloon.

De Raad concludeerde dat er geen aanwijzingen zijn dat appellante duurzaam niet kan werken of alleen met urenbeperking. Het drukke gezinssituatie met zes kinderen, waaronder een gehandicapt kind, werd buiten beschouwing gelaten. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen recht heeft op een WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.

Uitspraak

11/3115 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 april 2011, 10/3303 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 26 oktober 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. E. Wolter, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Namens appellante zijn de gronden van het hoger beroep aangevuld.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 september 2012. Voor appellante is verschenen mr. Wolter. Het Uwv was vertegenwoordigd door J.P.A. Loogman.
OVERWEGINGEN
1.1. Appellante was laatstelijk werkzaam als schoonmaakster in deeltijd en begeleidster verzorging, eveneens in deeltijd, in een omvang van iets meer dan 32 uur per week. In november 2005 is zij uitgevallen wegens schouderklachten en rugklachten. Tevens is sprake van astmatische klachten, klachten van psychische aard en klachten van ernstige vermoeidheid.
1.2. Bij besluit van 18 januari 2010 heeft het Uwv, voor zover van belang, beslist dat voor appellante met ingang van 15 juli 2009 geen recht is ontstaan op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen, daar zij minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht.
1.3. Bij besluit van 17 juni 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellante tegen het besluit van 18 januari 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
2.2. De rechtbank heeft zich met de medische grondslag van het bestreden besluit kunnen verenigen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv, waarbij onder meer is kennis genomen van informatie van de behandelend sector, zorgvuldig heeft plaatsgevonden en dat de belastbaarheid van appellante juist is vastgesteld en voldoende is gemotiveerd. Appellante heeft geen medische informatie ingebracht op grond waarvan de rechtbank aanleiding zou moeten zien te twijfelen aan de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde gezondheidssituatie van appellante ten tijde van de datum in geding.
2.3. Voorts heeft de rechtbank de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven. Naar het oordeel van de rechtbank is door de bezwaararbeidsdeskundige voldoende toegelicht dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellante geschikt zijn te achten.
3. In hoger beroep heeft appellante staande gehouden dat zij vanwege haar gezondheidstoestand op de datum in geding niet in staat was (voltijds) te werken en derhalve ook niet in staat was tot het vervullen van de bij de schatting betrokken (voltijdse) functies. Zij ervaart in dit verband, naast haar fysieke klachten, pijnklachten en klachten van depressieve aard, haar vermoeidheidsklachten en haar lange periode van inactiviteit als het grootste struikelblok. Zij meent dat haar beperkingen zijn onderschat en dat in elk geval op energetische gronden een urenbeperking zou moeten worden aangenomen. Zij wijst er in dit verband op dat de omvang van de geduide functies de maatgevende omvang zelfs nog overtreft.
4.1. De Raad stelt vast dat hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht een herhaling is van de door haar in bezwaar en beroep naar voren gebrachte gronden.
4.2. De Raad kan zich volledig vinden in de overwegingen en het daarop gebaseerde oordeel van de rechtbank. De Raad overweegt daarbij, naar aanleiding van wat namens appellante in hoger beroep, schriftelijk en mondeling ter zitting, is aangevoerd, dat in het bijzonder geen aanknopingspunten bestaan om ervan uit te gaan dat ten aanzien van appellante sprake is van een situatie waarin duurzame mogelijkheden tot het verrichten van loonvormende arbeid ontbreken, dan wel van een situatie waarin appellante slechts met inachtneming van een urenbeperking zou kunnen werken.
4.3. Uit de beschikbare medische gegevens komt naar voren dat ten aanzien van appellante geen objectief-medisch aantoonbare ernstige lichamelijke en/of psychische problematiek is vastgesteld, welke in de weg zou staan aan deelname, mits met inachtneming van de voor haar van toepassing geachte beperkingen, aan het arbeidsproces op voltijdse basis. De omstandigheid dat appellante een druk en arbeidsintensief gezin heeft met zes kinderen, onder wie een gehandicapt kind, dient in dit verband buiten beschouwing te blijven.
4.4. Tot slot laat de Raad in dit verband wegen dat appellante ook in hoger beroep geen medische gegevens heeft ingebracht die twijfel oproepen aan de conclusies van de verzekeringsartsen van het Uwv.
4.5. Eveneens kan de Raad zich verenigen met het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit. De Raad overweegt hierbij nog wel dat de rechtbank bij de vorming van haar oordeel dat het niet op bezwaren stuit dat de maatmanomvang verschilt van de urenomvang van de geduide functies, ten onrechte heeft overwogen dat een reductiefactor is toegepast op het uurloon van de geduide functies. De omvang van de geduide functies is groter dan de maatgevende omvang, zodat reductie van het als resterende verdiencapaciteit te hanteren uurloon niet aan de orde is. Zodanige reductie is door de arbeidsdeskundige ook niet toegepast, daar is uitgegaan van de factor 1.
4.6. Uit het overwogene onder 4.1 tot en met 4.5 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 oktober 2012.
(getekend) J.W. Schuttel
(getekend) J.R. Baas