ECLI:NL:CRVB:2012:BY1218

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
12 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5719 WIA
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • T. Hoogenboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid

Appellant verzocht om een WIA-uitkering, welke door het UWV werd geweigerd op grond dat hij niet ten minste 35% arbeidsongeschikt was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees ook het verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep voerde appellant opnieuw aan dat zijn psychische beperkingen onvoldoende waren meegewogen en dat de belasting van bepaalde functies zijn belastbaarheid overschrijdt.

De Raad onderzocht de medische rapporten, waaronder een door appellant ingeschakelde psychiater die een psychotische stoornis NAO stelde, maar concludeerde dat deze diagnose onvoldoende geobjectiveerd was en niet doorslaggevend kon zijn. De bezwaarverzekeringsarts vond slechts een beperkte aanpassing van de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) op het aspect samenwerken met anderen noodzakelijk.

De bezwaararbeidsdeskundige bevestigde dat de functies weinig eisen stellen aan samenwerken, en dat de beperkingen van appellant hiermee in overeenstemming zijn. De Raad zag geen aanleiding tot het inschakelen van een onafhankelijke deskundige en bevestigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering en wijst het hoger beroep en verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

10/5719 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 16 september 2010, 09/780 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak: 12 oktober 2012
PROCESVERLOOP
Namens appellant is hoger beroep ingesteld en zijn stukken ingediend.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en commentaar geleverd op de van de zijde van appellant in het geding gebrachte stukken.Het onderzoek ter zitting is gehouden ter zitting van 31 augustus 2012. Appellant is verschenen, met bijstand van mr. T.A. Vetter, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 22 januari 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 22 augustus 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Bij het besluit van 22 augustus 2008 heeft het Uwv geweigerd om aan appellant met ingang van 6 juli 2008 uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) toe te kennen. Het Uwv heeft daaraan ten grondslag gelegd dat appellant niet, althans minder dan 35%, arbeidsongeschikt is in de zin van die wet.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en appellants verzoek om schadevergoeding afgewezen.
3. In hoger beroep heeft appellant gelijke gronden aangevoerd als hij in eerste aanleg heeft gedaan. Zij strekken alle ten betoge dat de rechtbank ten onrechte het bestreden besluit in stand heeft gelaten. Volgens appellant had de rechtbank dat besluit moeten vernietigen omdat het Uwv appellants beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft onderschat. Daarbij valt in hoger beroep de nadruk op de psychische beperkingen die appellant ondervindt. Voorts stelt hij zich op het standpunt dat de belasting van niet alle van de geduide functies binnen zijn belastbaarheid blijft. Ook in hoger beroep heeft hij gevraagd om toekenning van schadevergoeding.
4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.
4.1. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het medisch onderzoek dat ten grondslag is gelegd aan de bestreden besluitvorming niet onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De rechtbank heeft de verzekeringsgeneeskundige rapporten en de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) onderzocht, daarbij in haar beschouwing betrekkend de stukken afkomstig van de zogenoemde behandelend sector. Zij heeft die rapporten en de FML in orde bevonden, daarbij met juistheid overwegend dat van de zijde van appellant geen medische informatie aan haar is overgelegd op grond waarvan geoordeeld moet worden dat hij meer beperkingen heeft dan is aangenomen door het Uwv.
4.2. De door appellant in hoger beroep ingeschakelde deskundige, de psychiater G.A. de Boer, komt in zijn rapport van 9 maart 2012, in antwoord op vragen van appellant, tot de conclusie dat bij appellant sprake is van een psychotische stoornis NAO. Deze psychiater stelt, onder erkenning dat het lastig is met terugwerkende kracht een betrouwbaar objectiveerbaar beeld te krijgen van de ernst van de klachten van appellant, dat die klachten op de datum die in dit geding van belang is, 6 juli 2008, niet minder ernstig waren dan ten tijde van zijn onderzoek. Het op verzoek van de huisarts op 26 augustus 2008 verkregen consult van de Spoedeisende Psychiatrie Amsterdam, Mentrum, is volgens deze psychiater beknopt geweest en het betreft een momentopname. De FML zou in het licht van het oordeel van de psychiater aanscherping behoeven op de punten 1.1 vasthouden van de aandacht, 1.2 verdelen van de aandacht 2.6 inleving in anderen en 2.9 samenwerken met anderen.
4.3. Het oordeel van psychiater De Boer dat er bij appellant ook op de datum in geding sprake moet zijn geweest van een psychotische stoornis NAO rust op de veronderstelling dat de desbetreffende klachten van appellant al langer aanwezig moeten zijn geweest. Overeenkomstig het daarover ingenomen standpunt van het Uwv moet geoordeeld worden dat dit oordeel van die psychiater niet doorslaggevend kan zijn omdat het onvoldoende steunt op geobjectiveerde medische aanknopingspunten. De onder de gedingstukken aanwezige brieven van Mentrum van 8 september 2008 en 5 december 2008 geven als diagnose aanpassingsstoornis met gemengde emoties/gedragsstoornis en spreken niet over een psychotische stoornis. In het bijzonder de brief van 5 december 2008 bevat voldoende en inzichtelijke informatie over de gezondheidstoestand van appellant op 26 augustus 2008. Bezwaarverzekeringsarts P.M. Cramer heeft er in zijn rapport van 7 mei 2012 terecht op gewezen dat het Mentrum expliciet heeft gekeken naar eventuele psychotische symptomen. In de brief van Mentrum, van 8 september 2008, naar aanleiding van het in 4.2 bedoelde consult van 26 augustus 2008, wordt niet vermeld dat er bij appellant sprake is van een psychose. Een psychose komt eerst naar voren in 2010 nadat appellant zich onder behandeling heeft gesteld van psychiater A.A.R. de Kom. In een rapport van de verzekeringsarts van het Uwv C. Verwey wordt evenmin gesproken over een psychotische stoornis NAO. In haar rapport van 4 augustus 2008, worden de psychische klachten van appellant beoordeeld met als diagnostische conclusie spanningsklachten, karakterproblematiek en trekken van agressiedysregulatie.
4.4. De door psychiater De Boer voorgestane aanpassing van de aspecten 1.1 en 1.2 van de FML wordt niet gevolgd door de bezwaarverzekeringsarts. Hetgeen De Boer daarover vermeld moet volgens de bezwaarverzekeringsarts herleid worden tot de subjectieve beleving van appellant. Dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts kan, gezien hetgeen is overwogen in 4.3, niet als onjuist worden beschouwd. De door psychiater De Boer aangenomen diagnose met betrekking tot de gezondheidstoestand van appellant, ten tijde in dit geding van belang, is beslissend geweest voor het oordeel van de psychiater over de door het Uwv vastgestelde beperkingen, en die diagnose niet kan worden gevolgd. Voor aanpassing van aspect 2.6 is evenmin reden. Wel dient volgens de bezwaarverzekeringsarts de FML te worden aangepast op aspect 2.9, nu de redenering van appellant en psychiater De Boer er conform de eisen van het Handboek CBBS logischerwijze toe leidt dat het aspect samenwerken sterk beperkt is.
4.5. Volgens het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige W.Th. Pompe van 7 juni 2012, leidt aanpassing van de FML niet tot een andere mate van arbeidsongeschiktheid. Appellant heeft deze conclusie aangevochten op de grond dat de functies medewerker logistiek (sbc-code 111220) en naaister (sbc-code 272042) in medische zin niet geschikt zijn voor appellant omdat thans bij hem de beperking is vastgesteld: kan in de regel niet samenwerken met anderen. Ook is hij beperkt in het rechtstreeks contact met collega’s. Daarbij heeft appellant gemotiveerd verwezen naar de toelichting op de betreffende aspecten in de Basisinformatie CBBS.
4.6. Naar aanleiding van die stellingen van appellant heeft bezwaararbeidsdeskundige Pompe in rapporten van 7 juni 2012 en 28 augustus 2012 de belasting van de voorgehouden functies op de door appellant genoemde punten nader toegelicht. Aan de samenwerking worden volgens die rapporten nauwelijks eisen gesteld. De bezwaararbeidsdeskundige vermeldt onder meer dat een ieder, nadat de werkopdrachten in ontvangst zijn genomen, vrijwel de gehele dag vrij solistisch aan de eigen taken werkt. Uit een rapport van 21 juni 2012 van bezwaarverzekeringsarts Cramer blijkt dat er overleg heeft plaatsgevonden tussen deze bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige Pompe over de functies. De bezwaarverzekeringsarts acht die in overeenstemming met de bij appellant vastgestelde beperkingen. Deze nadere beoordeling, die voor het overige de in bezwaar verrichte arbeidskundige beoordeling van de functies onverlet laat, is op een zorgvuldige wijze geschied. Het resultaat ervan heeft, in het licht van hetgeen appellant daartegen heeft aangevoerd, geen twijfel opgeroepen bij de Raad over de juistheid ervan.
4.7. Er is gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.6 geen aanleiding om een onafhankelijke medisch deskundige in te schakelen.
4.8. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Er is geen aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door T. Hoogenboom in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 12 oktober 2012.
(getekend) T. Hoogenboom
(getekend) J.R. Baas