Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2012:BX9900

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/3595 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.W.J. Schoor
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten of veranderde omstandigheden

Appellante heeft een Wajong-uitkering aangevraagd die door het UWV werd geweigerd wegens het ontbreken van arbeidsongeschiktheid op de ingangsdatum. Na intrekking van bezwaar en een nieuwe aanvraag heeft het UWV het verzoek om terug te komen op het eerdere besluit afgewezen, omdat er geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond en stelde dat het oorspronkelijke besluit onherroepelijk was. De diagnose Retinitis Pigmentosa, gesteld na de eerste aanvraag, werd niet als nieuw feit aangemerkt omdat deze gebaseerd was op eerder bekende medische gegevens.

In hoger beroep bevestigt de Centrale Raad van Beroep deze beoordeling en verwijst naar vaste jurisprudentie dat een nader gestelde diagnose die voortkomt uit reeds bekende gegevens geen nieuw feit vormt. Ook andere door appellante aangevoerde omstandigheden rechtvaardigen geen herziening.

De Raad wijst het hoger beroep af en bevestigt het bestreden besluit. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van het verzoek om een Wajong-uitkering wegens het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

Uitspraak

11/3595 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 12 mei 2011, 10/2857 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[A. te B.]
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
Datum uitspraak 5 oktober 2012.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.T. Tilburg, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2012. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Voor het Uwv is verschenen mr. M.K. Dekker.
OVERWEGINGEN
1. Bij besluit van 6 juli 2009 heeft het Uwv appellante, geboren op 4 november 1988, een uitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) geweigerd voor op 4 november 2005 ingetreden arbeidsongeschiktheid. Het bezwaar hiertegen heeft appellante op 7 september 2009 ingetrokken.
2. Appellante heeft op 8 december 2009 opnieuw een Wajong-uitkering aangevraagd. Het Uwv heeft deze aanvraag aangemerkt als zijnde een verzoek om terug te komen van het besluit van 6 juli 2009, als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.1.Bij besluit van 17 december 2009 heeft het Uwv het verzoek om terug te komen van het besluit van 6 juli 2009 afgewezen omdat er geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn.
3.2. Bij besluit van 9 juli 2010 (bestreden besluit) is het bezwaar, gemaakt tegen het besluit van 17 december 2009, ongegrond verklaard.
3.3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat het besluit van 6 juli 2009 onherroepelijk is geworden. Dit besluit dient als uitgangspunt genomen te worden met betrekking tot de vraag of er sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden (nova), en zo ja, of het Uwv daarin aanleiding had behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien. De rechtbank heeft geoordeeld dat het eerste wel maar het tweede niet het geval is. De visus klachten van appellante zijn immers beoordeeld in het rapport van de verzekeringsarts van 29 mei 2009 en de later gestelde diagnose maken de klachten en de ernst daarvan niet anders, aldus de rechtbank.
4. Appellante heeft in hoger beroep haar standpunt dat er wel degelijk sprake is van nieuwe feiten herhaald. De diagnose Retinitis Pigmentosa is gesteld en door het ontbreken van die diagnose ten tijde van de eerste Wajong-aanvraag zijn haar beperkingen niet juist ingeschat.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. In artikel 4:6, eerste lid, van de Awb is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.
5.3.1. Appellante heeft gesteld dat ten tijde van de aanvraag in april 2009 en de beoordeling in mei 2009 de diagnose Retinitis Pigmentosa nog niet was gesteld. Deze diagnose is pas in augustus 2009 gesteld.
5.3.2. Naar het oordeel van de Raad is geen sprake van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van Pro de Awb. De Raad verwijst naar de vaste rechtspraak van de Raad - bijvoorbeeld de uitspraak van 23 november 2007, LJN BB8684 - waarin is bepaald dat een nader gestelde diagnose die is gebaseerd op reeds eerder bekende medische onderzoeksgegevens, niet als een nieuw feit of veranderde omstandigheid kan worden aangemerkt. De rechtbank heeft derhalve terecht, zij het met de kwalificatie van de gestelde diagnose als een nieuw feit niet geheel op juiste grond, geconcludeerd dat het Uwv bevoegd was het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar het besluit van 6 juli 2009 vanwege het ontbreken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheid.
5.4. Uit hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd is de Raad evenmin gebleken van gegevens die als een nieuw feit of veranderde omstandigheid moeten worden aangemerkt. De Raad voegt hier aan toe dat ter zitting bij de Raad door de gemachtigde van appellante niet is ontkend dat er geen sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden, maar dat appellante thans een uitkering uit de Wet werk en bijstand ontvangt en van mening is meer begeleiding naar betaalde arbeid te krijgen wanneer zij een Wajong-uitkering zou ontvangen.
5.5. Uit hetgeen is overwogen in 5.2 tot en met 5.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van M.R. Schuurman als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2012.
(getekend) C.W.J. Schoor
(getekend) M.R. Schuurman
KR